Tagarchief: amsterdam

Sgt. Pepper 2017

Mijn frambozenijsje smelt sneller dan ik likken kan. Mijn indrukken zijn veelvuldiger dan ik wat ik neerkalken kan. Ik luister naar Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band van The Beatles, en raak overweldigd.

50 jaar na het verschijnen van de oorspronkelijke LP in de zomer van de liefde, open ik mijn oren voor de nieuwe stereomix. De perfecte gelegenheid vind ik aan het einde van de dag, als ik naar buiten stap en het klassieke album al wandelend tot me neem, over de opgebroken Dijksgracht, het Java-eiland en de Oostelijke eilanden van Amsterdam.

Het voelt alsof ik in mijn eigen voetstappen treed. Terwijl de iepenzaadjes langsdwarrelen, ga ik terug in de tijd. Ik ben weer even in Groesbeek, op mijn jongenskamer, waar ik de LP van de bieb heb geleend en op een cassette op heb genomen. De muziek is als honing voor mijn oren. De psychedelische klanken zijn een elixer van vrijheid. Lucy In The Sky With Diamonds is als een poort naar een wereld waarvan ik het bestaan niet had kunnen vermoeden.

Ook bezoek ik in gedachten mijn peetoom Ton. Hij is de grootste Beatlesliefhebber in de familie en wist me al vroeg aan te steken met zijn passie. Hij laat me als jonge jongen de hoes van Sgt. Pepper zien, en stelt me gerust: Nee, Paul McCartney is niet verongelukt en vervangen door een dubbelganger! Geduldig legt hij me uit hoe onwaarschijnlijk die theorie is. Achter hem staat een poster uit het witte dubbelalbum, en naast hem rijen cassettes met de vele honderden prachtige liedjes en instrumentale nummers die hij zelf schreef, geïnspireerd door die intuïtieve autodidacten uit Liverpool. Later, als ik een puber ben met artistieke aspiraties, weet hij me op zijn beurt moed te geven om door te gaan met schrijven en zingen.

Anno 2017 krijg ik kippenvel bij het horen van de nieuwe mix. Zeer smaakvol en kundig heeft Giles, de zoon van de originele producer George Martin, de kwaliteiten van de monomix gebruikt voor een nieuwe stereoremix. Waar de oude stereoversie een haastklus was, met een grof, onnatuurlijk stereobeeld, biedt de remix een kristalhelder en prettig alternatief, en, wat mij betreft, zeker een verbetering. Het wordt hierdoor minder verheven en klinkt het meer dan ooit als een rockband die op staat te treden.

“It’s getting better all the time” is bitterzoet. Nog nooit klonken die woorden zo puur. Dit geldt ook voor de keerzijde: de cynische tegenwerping “it can’t get no worse” van John Lennon. Terwijl er de laatste tijd gestaag meer ziekte, verval en dood mijn leven binnensluipt, klinken The Beatles vitaler en frisser dan ooit. Over 100 jaar misschien zelfs nog wel méér. Het eeuwige overschaduwt langzaam maar zeker het tijdelijke. A Day In The Life is geen momentopname meer, maar vele levens en generaties vervat in één song. De nieuwe Sgt. Pepper is al met al een monument dat in al zijn glorie toch ook een beetje pijn doet..

Deze tekst werd zaterdag 10 juni 2017 voorgelezen in het kader van de rubriek “Moedig Voorwaarts” binnen aflevering 47 van het radioprogramma Kulti Kulti.

Wandeling

Het einde van deze zomer is nakende. Met gezwinde pas wurm ik me uit mijn benauwende schaduwleven, en waag me in mijn stoute, doch toch al wat afgetrapte schoeisel. Ik begeef me buiten de voordeur, en laat de serendipiteit haar werk doen. Zij zal mij brengen waar ze me brengen wil, in weerwil van wat ik misschien zelf zou willen, als ik al zou weten waar ik heen wil..

Ik dwaal deze avond door mijn geliefde Amsterdam, zonder route, zonder plan, volmaakt ongebonden. De tegels, het plaveisel, de straten en de buurten betreed ik zonder vragen. Toch hoop ik heimelijk op een verlossend antwoord, dan wel een kompas. Mocht iemand mij ontwaren, dan ben ik voorbereid om schijnbaar moeiteloos door te flaneren, alsof ik weet waar ik naartoe ga, glorieus afstevenend op de volgende kruising.

Al lopende blijk ik af te druipen richting mijn verleden. Al lopende merk ik dat ik steeds meer in mijn eerdere voetstappen treed. Mijn tocht brengt me naar een slingerende wijk net buiten de stad, waar ik ooit als jonge student op kamers ging. De bewuste doorzonwoning blijkt onveranderd kil en karakterloos. Opnieuw voel ik me enigszins verloren.

Als het daglicht langzaam verdwijnt, versnel ik mijn pas en daver ik doelloos langs de rafelranden van een stadspark. Ik ruik patchouli en voel de broeiende walm van het struikgewas, en stuit dan op een groepje mannelijke studenten dat zich waarschijnlijk middenin hun introductie bevindt. Als voortvarende passant loop ik een boogje om, maar beland daarmee juist pal tussen hen in.

Even omgeeft een dartele onschuld mij. Even ben ik het oog van een bruisende orkaan. Even dwarrelen de jongens om mij heen. Ze zijn jong, dronken en onbeholpen. Even weet ik niet hoe me hier toe te verhouden. Hun zomerse nonchalance, korte broeken en gebruinde harige benen overweldigen me. Ze stoeien, testen elkaar, langs me heen, alsof ik er niet ben.

Ik ontkom, en voel me weer een beetje die jongen die altijd als laatste gekozen wordt bij de gymles..

Op mijn zigzaggende dwarreltocht, doorkruis ik vervolgens een willekeurige woonwijk. Ik zie een supermarkt, die nog open is, en stap daar binnen, hopend op een teken.

Het blijkt echter de hoogste tijd. Voor mij rest er niet meer dan een impuls-aankoop: een zak borrelnootjes van het huismerk. In de rij voor de kassa treft mij ineens een wat gezette oudere man, die 6 halve liters bier op de lopende band voor zich heeft gelegd. Hij lijkt warempel wel op.. Hans van der Togt! Nee, het zal toch niet? Nee, hij is het niet, maar wel hetzelfde type..

Dan knipoogt hij naar me, met een blik die het midden houdt tussen flirt en verstandhouding. Ik bloos, en voel me betrapt.

Onthutst knik ik naar hem als hij me een fijne avond wenst. Is dit mijn voorland, mijn lotsbestemming?

wandeling

Deze tekst werd zaterdag 10 september 2016 voorgelezen in het kader van de rubriek “Moedig Voorwaarts” binnen aflevering 38 van het radioprogramma Kulti Kulti.

De Trut (30 jaar)

Zo’n dikke vijftien jaar geleden zette ik mijn eerste wankelmoedige stappen in potten- en flikkerdisco De Trut. Geplaagd door liefdesverdriet, zocht ik troost en afleiding, en vond uiteindelijk meer dan waar mijn gebroken hartje nog op had durven hopen. Na dat eerste bezoekje, ingegeven door de veelvuldige aanprijzing dat deze tent “echt iets voor mij” zou zijn, was ik verkocht, en bleef ik terugkomen. Vijftien jaar later, maak ik zowat deel uit van het meubilair. De Trut, wie is er niet groot mee geworden?

Nu ik de veertig nader, kijk ik met vertedering terug op die eerste avonden. Niet alleen zijn het dierbare herinneringen, maar de belofte van toen blijkt springlevend in de twinkelende ogen van de jonge studenten die nu De Trut aan het ontdekken zijn. O heerlijke jeugd, o vrijheid, o experiment! Hoe groot was mijn beginnersgeluk, vervuld van gedans en gesjans. Hoe fijn was het je begeerd te weten. Hoe machtig het gevoel de mooiste jongen van de avond mee naar huis te krijgen na het flirterig bietsen van een sigaretje. Hoe spannend om achter op de scooter te stappen bij die sexy jongen, of in het holst van de nacht nog met twee schatjes een trio te beginnen in Den Haag!

Hoe opwindend mijn aanvankelijke avontuurtjes ook geweest hebben mogen zijn, kwam ik er al snel achter dat De Trut zo veel meer is dan een bar om mensen op te pikken. De eigenzinnige sfeer die de vrijwilligers weten te creëren, is onnavolgbaar, theatraal, soms ogenschijnlijk weerbarstig, maar altijd verrassend. Hun toewijding, idealisme en menselijkheid, maakt dat je je als bezoeker veilig voelt, wie of wat je ook bent. Hoe ver dit gaat, heb ik mogen ondervinden toen ik op het diepst van mijn depressie zat. Niet alleen kon ik me veilig voelen als LHBTQ-er, ook mijn schaduwkant en mijn chagrijn mochten er zijn. Toen ik een paar maanden verstek had laten gaan, stelde een inmiddels goede Trutvriend voor toch weer te blijven komen, al was het alleen maar om hem een plezier te doen. Okay, voor mezelf hoefde het niet, en hoewel het de depressie niet oploste, en ik zeker een paar keer overtuigd was dat iedereen me haatte, viel het me beduidend meer keren mee dan tegen. De Trut bleek een van de weinige uitgaansgelegenheden te zijn waar niet de oppervlakkige terreur van “doe eens lachen” heerste, maar waar mensen waren van verschillende leeftijd en kunne, die me accepteerden zoals ik was, niet veroordeelden, maar oprechte interesse toonden.

Soms werd het keldertje van Tetterode een ronduit magisch oord, in het bijzonder tijdens grote themafeesten. Nog geen jaar geleden, bijvoorbeeld, was de gehele vloer bezaaid met strandzand en zachte kussens, en alles omgetoverd in de sfeer van 1001 Nacht, compleet met waterpijpen, wierook en een exotische marktkraam. Wat een gigantische eer om hier in full drag ook nog eens live te mogen zingen! Sowieso is De Trut, en de optredens die ik er mocht doen, bemoedigend en stimulerend geweest om het aan te durven zangles te nemen en vaker het podium te betreden. De toevallige ontmoeting met zanger Rufus Wainwright, twee weken voor ik op dezelfde plek een van zijn nummers ten gehore zou brengen, was een synchroniciteit die ik met liefde koester.

Tegenwoordig is De Trut een plek waar ik vriendschappen onderhoud en mensen ontmoet, waar ik onder het genot van een rood wijntje van gedachten wissel en iedere week wel weer wat leer. De creativiteit van de vrijwilligers inspireert en blijft uitdagen. Gek genoeg ben ik nog altijd een beetje zenuwachtig voor ik Trutwaarts ga, voel ik die gezonde spanning van anticipatie. Wat gaat er deze week gebeuren? Wie zullen er zijn? Wat hebben ze nu weer bedacht? Waar worden we vandaag toe verleid?

Met heel mijn hart hou ik van De Trut!

trutje 30

Deze tekst werd voorgelezen op zaterdag 12 december 2015 binnen aflevering 29 van het radioprogramma Kulti Kulti (in een special gewijd aan De Trut).

Zweet en tranen

Oh, zoete whirlpool des verderfs, wat gaat er met je gebeuren!?

Onlangs werd de beruchte Amsterdamse homosauna Thermos failliet verklaard. Een paar maanden geleden, op de drempel van mijn veertigste levensjaar, trok ik er weer eens een laat nachtje door.

“Wat doe ik hier? Ik zou dit toch niet meer doen? Waar ben ik mee bezig?”

Als een verslaafde was ik, tegen beter weten in, gezwicht voor de verleiding. De combinatie van eenzaamheid, dronkenschap en hoogmoed, had me weer eens te pakken gekregen.

Met smart dacht ik terug aan de eerste keer dat ik de Thermos betrad, 15 jaar jonger en 15 kilo lichter, toen nog in de dependance in de Kerkstraat. Hoe ik schoorvoetend de kleedkamer had betreden, beschroomd mijn boxer in de locker had gefrommeld, en me zedig had gehuld in de aangereikte badhanddoek. Hoe ik toch, niet heel veel later, wegwijs werd gemaakt door een leuke jongen, die wel raad wist met me, en hoe ik de ochtend daarop moest blozen als ik dacht aan alle spannende ontmoetingen die ik tenslotte had mogen smaken!

Deze zaterdagnacht was echter een dieptepunt. Alles wat de Thermos in mijn ogen ooit zo fijn had gemaakt, leek verdwenen. De vanzelfsprekendheid bovenal misschien wel dat ik daar seks zou hebben. Hoe lang was het al weer geleden? Ik was de tel kwijt..

Op wat ooit de drukste nacht van de week was, waren er nu anderhalve man en een paardenkop. Ik liep over etages waar geen enkel hokje bezet bleek en had het bubbelbad, de stoomruimte en de droge sauna zowat voor me alleen. Waar was iedereen? Op Grindr? Thuis diep in slaap? Of toch bij de concurrent, de sinds vorig jaar geopende Nieuwezijds Sauna?

De inspanningen van de Thermos om te moderniseren leken vergeefs te zijn geweest. Ze hadden weliswaar wat hippere lichtaccenten aangebracht, een voyeuristische spouw uit de muur van het bubbelbad gezaagd, maar dat had allemaal niet mogen baten. Het personeel was afwezig, murw en onbeschoft als in de tijd dat de Thermos nog een monopoliepositie had. Ik had met ze te doen. Het leek of ook zij de moed hadden verloren.

In de droge sauna keerde ik de zandloper om. 30 minuten. Zou ik het volhouden, of zou ik voor die tijd toch iemand tegenkomen? Bij gebrek aan andere gasten, zweette ik uiteindelijk zoals ik nooit eerder gezweet had. Ik gebruikte de sauna als sauna, en mijmerde over trots en zelfhaat, ijdel hiermee hopende de bitterheid via mijn poriën weg te kunnen laten sijpelen.

Ik liep weg, een liter aan vocht en een illusie armer, maar verrijkt met een nieuw inzicht van dankbaarheid en deemoed..

1024px-Tiling_Regular_4-4_Square

Deze tekst werd voorgelezen op zaterdag 9 mei 2015 binnen aflevering 22 van het radioprogramma Kulti Kulti (in de rubriek “Moedig Voorwaarts”)

Monica RemBem

Het was het einde van de herfst, afgelopen herfst, dat ik samen met twee vriendinnen het nabijgelegen Oostenburgerpark aandeed voor een bijzondere missie.

Al weken hadden we plannen gesmeed. De vriendinnen, allebei Monique genaamd, zouden in een bescheiden processie vanuit mijn huis, met de graslelies van mijn vensterbank, het park betreden en daar improviseren, en ik zou dat filmen.

Terwijl we daar liepen, maakte onze aanvankelijke schuchterheid plaats voor het enthousiasme samen iets te doen wat eigenlijk ons verstand te boven ging.

Was het kunst? Was het performance? Was het een grap? Waar deden we dit allemaal voor? Zeker was dat we samen de dag plukten door iets te maken wat er voorheen niet was.

Uiteindelijk viel alles organisch op zijn plek, en openbaarden zich zelfs onvermoede talenten.

Nu is het lente, het filmpje is af en openbaar!

Deze tekst werd voorgelezen op zaterdag 14 maart 2015 binnen aflevering 20 van het radioprogramma Kulti Kulti (in de rubriek “Moedig Voorwaarts”)

Vingerwijzing

Als er één vinger richting de ander wijst, wijzen er drie naar mezelf. Als ik dan vervolgens naar mezelf kijk, weet ik eigenlijk niet goed wat er nou aan dat handje is. Míjn handje.

Het mag cryptisch klinken, maar ik heb een obsessie met handen, en dan vooral de vingers. Er is iets in de verhouding tussen met name de wijs- en ringvinger, dat me mateloos bezig houdt.

Nee, vergeet de handlijnkunde. Dat laat ik aan anderen. Ik heb het hier over de wijsvinger-ringvinger-index, ofwel de digit ratio, 2D:4D. Vlooi wikipedia er maar op na, of google er op los. Het blijkt heus een serieus onderwerp van onderzoek te zijn.

Een paar jaar geleden deed ik bij de UvA mee aan een wetenschappelijk onderzoek naar seksueel gedrag van homo’s in relatie met bepaalde effecten van hormonen, en ja, ook daar bleek het een rol te spelen. Ik moest naast het inhaleren van een spray (met al dan niet bepaalde hormonen) ook met mijn hand op de glazen plaat van een kopieermachine, om tot op de millimeter vast te kunnen leggen hoe dat nou zat met die vingers van mij.

Volgens actuele inzichten zijn er “sterke aanwijzingen dat de lengte van de wijsvinger beïnvloed wordt door de hoeveelheid geslachtshormonen waar de foetus in de baarmoeder aan wordt blootgesteld. Deze geslachtshormonen beïnvloeden tevens verschillende persoonlijkheidseigenschappen.” Aldus wikipedia.

Grofweg betekent dit dat mensen met een wijsvinger die in verhouding korter is dan hun ringvinger, meer invloed van testosteron, het mannelijk geslachtshormoon, moeten hebben gehad. Mensen met een wijsvinger die echter in verhouding gelijk of langer is dan de ringvinger, zouden daarentegen relatief minder veel testosteron hebben gekregen.

Een foefje voor als je van een onduidelijke foto zou willen raden of iemand biologisch gezien man of vrouw is, is te kijken naar de verhouding van wijs- en ringvinger. Meestal kun je ervan uitgaan dat als de ringvinger aanzienlijk langer is, het een manspersoon betreft, en als het ongeveer gelijk is of korter, het een vrouw zal zijn.

Echter, en nu komt het, mijn eigen vingers zijn in dat geval totaal niet indicatief! Als ik mijn jatten op die manier aanschouw, zie ik de handen van een vrouw! Mijn ringvingers zijn zelfs meer dan van vrijwel gelijke lengte in vergelijking met de wijsvingers, ze zijn duidelijk een stukje kórter!

Nou heb ik altijd al het vermoeden gehad dat er iets anders is met me. Er bestaat ook een theorie dat homo’s en lesbo’s qua 2D:4D ratio afwijken van hun heterofiele medemensen. Geef ik mijn seksuele voorkeur eigenlijk weg met mijn handje? Is het misschien niet zozeer een slappe pols, maar vooral de verhouding tussen vingers?

Als je zo’n afwijking bij jezelf constateert, kun je moeilijk doen of je het niet meer ziet. Zoals iemand die een rode auto heeft gekocht, overal rode auto’s ontwaart, gaat mijn blik regelmatig onbewust richting de vingers van mensen die ik tegenkom. Ook medehomo’s moeten er aan geloven. Ik zie een interessante man, hij zwaait, en vrijwel meteen registreer ik de onderlinge verhouding tussen zijn vingers. Aha! Gek genoeg kom ik zelden mannen tegen — homo, hetero of wat dan ook — die een duidelijk langere wijsvinger blijken te hebben..

Een relatief langere wijsvinger, zoals bij mezelf, zou kunnen wijzen op een lager libido, een minder agressief, maar angstiger karakter, met minder geldingsdrang en daadkracht. Tja.. Zou dat niet een hoop persoonlijke problemen voor me verklaren? Het schijnt dat alle Amerikaanse presidenten opvallend ‘mannelijke’ handen hebben of hebben gehad, met ferme ringvingers. Vergeleken daarbij heb ik dus niet bepaald de handen van een leider. Of is dat te simpel en te seksistisch gedacht?

Ach, laat ik er niet te veel conclusies aan verbinden. Ooit vergaloppeerde ik me al door naarstig te googlen naar foto’s en informatie over bekende personen met afwijkende handen. De zoekopdracht sloeg als een boemerang terug op mezelf, toen ik las dat juist mensen met een soortgelijke afwijking als ik, zich vanuit onzekerheid makkelijk kunnen verliezen in het zoeken naar bevestiging door het verafgoden van bekende mensen. Oeps. Snel met die klauw op de muis en wegklikken!

Halleluja, niks aan de handa!

vingerwijzing

Deze tekst werd voorgelezen op zaterdag 13 december 2014 binnen aflevering 17 van het radioprogramma Kulti Kulti (in de rubriek “Moedig Voorwaarts”)

Sjans

“Nou, die jongen daar is zéker homo. Volgens mij vindt hij je leuk.”

Wat?!

Met een vriendin zit ik in een koffietentje dat zij onlangs heeft ontdekt. De barista heeft ons uitvoerig verteld over de herkomst, het karakter en de pittigheid van de verschillende bonen.

De vriendin heeft niet alleen een neus voor lekkere koffie, maar heeft daarbij ook een bijzondere intuïtie waar het de liefde betreft.

Heb ik nou werkelijk sjans? Die koffiejongen beantwoordde toch vooral heel vakkundig háár vragen? Ja, maar zij voelt dat anders. Het is daarbij ook nog een schatje.

Graag wil ik geloven dat ze gelijk heeft, zoals eerder toen ze een voormalig huisgenoot wist te koppelen aan wat wel eens de liefde van zijn leven zou kunnen zijn. Waarom ben ik dan zelf zo blind?

Het is niet dat ik het niet kan herkennen. Bij anderen heb ik het immers meestal snel door. Waarom dan toch die oogkleppen als het mezelf betreft?

Er treedt een wreed mechanisme in werking, iedere keer als er sprake lijkt van al dan niet wederzijdse aantrekkingskracht. Allereerst is er ongeloof. Het komt altijd zo pardoes, dat ik er totaal niet op voorbereid ben. Help!

Dan, als ik me over mijn verbazing heen heb weten te zetten, klap ik dicht en blijk onmachtig om nog iets zinnigs te zeggen of te ondernemen.

De ironie zit in het feit dat ik meestal sjans heb als ik er juist totaal niet ontvankelijk voor ben, omdat ik ontspannen ben, en juist niet bezig met wat anderen misschien wel niet van me zouden kunnen denken. Een baard van drie dagen, een versleten shirt en andere varianten van nonchalance, doen het blijkbaar ook goed. Zodra ik echter doorheb dat ik sjans heb, valt de bodem uit de begeerte weg, doordat ik dan nog allesbehalve ontspannen of nonchalant ben.

Toch leef ik op als ik me begeerd voel. Hoe onwennig of ongemakkelijk het ook is, probeer ik het als een hoopvol teken te zien. Klaarblijkelijk ziet iemand iets in me wat ikzelf niet zie. Klaarblijkelijk weet ik iemand te raken door gewoon mezelf te zijn.

Sjans brengt een kans. Deze grijpen als die zich voordoet, is mijn uiteindelijke droom. Vooralsnog mag ik blij zijn als ik het steeds meer durf te onderkennen..

 

sjans

 

Deze tekst werd voorgelezen op zaterdag 8 november 2014 binnen aflevering 16 van het radioprogramma Kulti Kulti (in de rubriek “Moedig Voorwaarts”)

Wegwijs

Vanaf de stoep bij een rotonde langs een weidse strook groen, bel ik vertwijfeld naar een afspraak waar ik op dat moment zou moeten zijn. Tot mijn schaamte laat ik 6 mensen nodeloos wachten, en heb ik geen idee hoelang nog. De reden daarvoor is dat ik bovenal niet weet waar ik me eigenlijk begeef.

Ik ben, zoals Paulien Cornelisse het zo treffend benoemt, in hoge mate “geografisch gehandicapt”. Zelfs met een kwartier voorbereidend googelen rond de eindbestemming, een ander ingecalculeerd kwartier verdwaaltijd, en nota bene een fysieke stratengids van Amsterdam bij me, speel ik het klaar het spoor volkomen bijster te worden.

Voor me zie ik een windmolen opdoemen. Dat lijkt een hoopvol baken, maar als ik verneem dat er, waar ik moet zijn, helemaal geen molen in de buurt is, weet ik dat ik zeker nog niet om de hoek ben van waar ik zou willen zijn. In welke gemeente ben ik eigenlijk? Toch maar voorbijgangers aanklampen dan..

Mijn conditie ontmoet met regelmaat weerstand, spot en onbegrip. Hoe krijg ik het anders voor elkaar om een half uur te laat te komen bij de ingang van het Stedelijk? Hoe kan het nou dat ik, na tientallen bezoekjes, ineens de Rozentuin van het Vondelpark niet meer weet te vinden? Ben ik werkelijk zo gefnuikt?

Vroeger kreeg ik er zelfs straf voor. Op de middelbare school gingen we soms voor gymles in de zomer zwemmen in een openluchtbad, en ik heb het toch maar gepresteerd om binnen die route van 10 minuten van de school naar het bad, drie uur wezenloos rond te fietsen, en lang nadat de les was afgelopen, nog steeds niet te weten hoe ik nu nog naar huis moest komen.

Het voelt als blindheid. Ik zie sommige dingen kennelijk niet zoals de meesten ze wel zien. Tegen deze van iedere innerlijke kompas gespeende oriëntatie is geen kruid gewassen. Ik weet heg noch steg en dat zal ik moeten accepteren.

Optimisme helpt misschien in veel opzichten, maar niet bij gebrek aan richtingsgevoel. Ik heb het zo vaak geprobeerd, maar vurige wensgedachten brengen nu eenmaal weinig topografische heil met zich mee. Mijn manko is dat ik te associatief denk. Een punt op mijn weg doet me denken aan een ander punt op een heel andere eerdere weg, en ik geloof meteen dat ik op diezelfde weg zit.

“Goh, dit is ineens net Duitsland. Zijn we in Duitsland?”

Terwijl ik ergens ook wel weet dat we in De Pijp zijn.

Toch, om niet nòg meer afspraken te vergallen, achting te verkloten en vrienden van me te vervreemden, zal ik me niet lang hierna vrijwillig overgeven aan digitale hulptroepen. Nee, nog steeds geen smartphone, maar wel een luxe navigator (Garmin Etrex20), omdat ik het waard ben, of.. tja.. omdat ik het nou eenmaal zo wanhopig nodig heb..

In ieder geval loop ik daarmee een stuk kordater, en heb ik een beetje beter een idee van waar ik eigenlijk naartoe stap.

wegwijs

Deze tekst werd voorgelezen op zaterdag 11 oktober 2014 binnen aflevering 15 van het radioprogramma Kulti Kulti (in de rubriek “Moedig Voorwaarts”)

 

Zomerstop

Als je, zoals ik, geen vaste aanstelling of baan hebt, geniet je in de ogen van sommigen van een onbepaalde, permanente vrije tijd. Niks is helaas minder waar. Dat heb ik afgelopen zomer mogen ondervinden..

De keerzijde van ogenschijnlijk altijd vrij zijn, is dat je feitelijk nooit echt vakantie hebt. Of het nu door depressie, schuldgevoel, schaamte of angst komt, weet ik niet, maar kennelijk bevind ik me al jaren in een toestand waarin ik weliswaar redelijk passief ben, maar nooit echt vrijaf neem.

Bij depressie helpt het me om bij twijfel automatisch “ja” te kiezen. Als ik het allemaal niet weet, is het doorgaans het meest productief en positief om bevestigend in te gaan op voorstellen van anderen, op vrijwilligerswerk, afspraken en plannen. Omdat ik weet dat mijn beoordelingsvermogen ernstig aangetast is, en ik eigenlijk nergens een goed gevoel bij heb, biedt het voordeel van de twijfel uitkomst. Ervaring heeft me geleerd dat ja-zeggen niet alleen de keuzestress verminderd, maar dat de dingen waar ik ja op zeg, meestal enorm blijken mee te vallen, achteraf.

Het heeft iets weg van gokken, van speculeren op toekomstig herstel. Het levert een agenda op met afspraken en een ondersteunende structuur. Ik mag dan in de bijstand zitten, maar heb wel degelijk allerlei redenen om voor uit mijn bed te komen.
Deze zomer echter, kreeg ik te maken met een inhaalslag. De gemaakte beloftes leken zich tegen me te keren. Hartje afgelopen zomer was ik plotseling in de ban van de cortisol, was ik kortaangebonden, opgejaagd en voelde alles ineens te veel. Zelfs dingen waar ik me voorheen op zou verheugen, waren een last. Een vriendin zei dat ik hyper op haar overkwam. Ik beantwoordde relatief vriendelijke emails pas na nachtenlang getob over wat nou de juiste reactie zou moeten zijn.

Na het halen van een bepaalde deadline dook ik uiteindelijk mijn bed in, om er anderhalve week niet meer uit te komen. Te lang had ik op mijn tandvlees gelopen. Noodgedwongen nam ik een zomerstop. Geen nieuws, geen telefoon, geen social media, en al helemaal geen nieuwe toezeggingen meer. Geen hooi meer op de vork, geen drank en geen junkfood meer. Even “nee, nee, en nog eens nee.” Net zolang alle stekkers eruit tot er weer een beetje nieuwe lucht en ruimte was.

Toen mijn retraite eindelijk voorbij leek, waagde ik me voorzichtig aan wat actualiteit, en ving een glimp op van een neerstortend vliegtuig in de Oekraïne en gevechten in Gaza. Geen komkommernieuws, maar onvervalste kommer en kwel. Het was me een zomer wel!

zomerstop

Deze column werd zaterdag 13 september 2014 voorgelezen als onderdeel van het radioprogramma Kulti Kulti, aflevering 14

Rijp

Een vriend belde me laatst op om te polsen of ik belangstelling had voor vrijkaartjes voor de uitvoering van de Matthäus-Passion in het Concertgebouw. Tja.. Zou ik het dan maar beleefd afwimpelen en bedanken voor de eer? Zou ik dan maar toegeven aan de macht der gewoonte, en bij twijfel vriendelijk maar resoluut “nee” zeggen? Tot mijn eigen verwondering, bleek ik deze keer echter onomwonden te kiezen voor “ja, graag!” Wat was er in mij gevaren?

Kennelijk was ik rijp geworden, zonder het zelf te beseffen. Mijn walging van Bach, die ik had overgehouden aan de saaie katholieke eucharistie, met vals schallend cassettebandje, dat achteloos werd stopgezet door de koster, bleek geweken. Niet langer schamperde ik over langdradigheid, over religie en over de lijdensweg die de gemiddelde luisteraar zich zou moeten laten welgevallen. Uiteindelijk ging ik samen met een enthousiaste vriendin naar het concert, waarna we ons beiden vooral bevoorrecht, verrijkt en geïnspireerd voelden door de klanken van deze klassieke traditie.

Druppelsgewijs is het klaarblijkelijk gebeurd. Met kleine beetjes is mijn smaak zich gaan verfijnen, en mijn interesse uitgebreid. Het is even ondoorgrondelijk als onontkoombaar. Rijpheid overkomt je, en valt pas te betrappen als je anders blijkt te denken en te voelen dan voorheen.

Rijpheid is niet na te jagen of te overhaasten.  Er is ook niks aan te willen. Ooit kreeg ik als jonge twintiger bij de Schrijversvakschool te horen  dat ik “eerst maar eens een jaar de wei in moest gaan”. Dat was een klap in mijn jeugdige gezicht, en een aanzienlijke beknotting van mijn dromen, hoe verstandig het advies ook was. In de ogen van de docenten had ik gewoonweg gebrek aan levenservaring, en mijn tragiek was dat juist daaraan binnen korte termijn weinig viel te veranderen.

Rijpheid of levenservaring kent helaas geen sluiproute. Iets wat halfbakken is zal nooit doorgaan voor voldragen. Zelfs de avocado’s in de supermarkt beloven meer dan ze kunnen waarmaken. “Eetrijp” op het etiket vereist nadere handmatige inspectie. Als je niet uitkijkt wordt de guacamole duur betaald.

Met tijd en stro rijpen de mispels. En als het appeltje rijp is, valt het vanzelf.  Voor elk tastbaar of denkbeeldig fruit, van Bach tot Von Aschenbach geldt: geen rijpheid zonder geduld.

rijp

Deze column werd zaterdag 14 juni 2014 voorgelezen in het radioprogramma KULTI KULTI, aflevering 11