Tagarchief: homoseksualiteit

Oeps..

Een zwoele, zo niet broeierige zomeravond. Terwijl het kwik buiten eindelijk een paar graden prijsgeeft, voel ik me onderhand een geroosterd kippetje binnen de wanden van mijn huis, mijn schuilplaats die inmiddels een oven is geworden. Tegen twaalven vat ik de moed op, om toch nog even een wandeling te maken. Om mijn doel van 10.000 stappen te halen, en zodoende hopelijk even wat hitte van me af te schudden.

Ik zet er flink de pas in, maar het voelt als een vergeefse vlucht. Hoewel de temperatuur relatief aangenamer is, gutst het zweet me over de rug. De klamheid beklemt me. Bij gebrek aan frisse lucht, probeer ik innerlijke rust te scheppen uit de klanken van het Franse easy-listening duo Air in mijn oortelefoontjes.

Tussen KNSM- en Java-eiland in, blijk ik lang niet de enige te zijn die verkoeling zoekt. Een groepje jongens dient zich luidruchtig aan. Ik ruik goedkope deodorant en walmende wiet. Ik vang een glimp op van een glanzende torso en harige bruine benen, maar wend mijn blik snel af, richting de stappenteller om mijn pols, die naast stappen ook mijn hartslag aangeeft: momenteel boven de 100.

Ik doe wat ik doorgaans doe: ik maak me zo onzichtbaar en onopvallend mogelijk, en hoop dat mijn lichaam me niet verraadt. In gedachten ga ik terug naar de gymlessen op de middelbare school. Als overlevingsstrategie wende ik me toen aan om mezelf te temperen, te neutraliseren. Omdat mijn natuurlijke manier van bewegen meer wegheeft van flaneren dan marcheren, controleerde ik zoveel mogelijk iedere beweging.

Moest ik in de gymles, ten overstaan van de meute, opnieuw een poging doen over de bok te springen, dan voelde iedere pas als een potentiële misstap. Eén onbewaakt ogenblik, en mijn vermeende vrouwelijke trekjes zouden zich tegen me keren. Er staat me nog levendig bij hoe ik ooit net over die bok had weten te glijden, met een onhandige landing. Voor ik er erg in had, floepte mij dat woordje uit de mond: “Oeps!” En meteen werd ik belachelijk gemaakt, nagedaan door de andere jongens, met brommende goedkeuring van de gymleraar.

Oeps. Zeg dat wel. Om zoveel mogelijk oeps-momenten te vermijden, ben ik nog steeds hyperbewust van mezelf, leg ik mezelf steevast langs de meetlat der heteronormatieve masculiniteit.

Oeps, als mijn blik weer eens vrijelijk dwaalt langs mannelijk schoon in de openbare ruimte. Oeps, zelfs als het niet eens een wellustige blik is. Oeps, als er misschien iets van vertedering via mij doorsijpelt. Oeps, en je wordt zo “zemel” genoemd, of erger: je krijgt een betonschaar in je nek. Oeps, en je wordt door een homofobe politie afgeraden aangifte te doen, genegeerd door het openbaar ministerie, dan wel publiekelijk aan de schandpaal genageld door sociopathische blaaskaken.

Het gesprek tussen de jongens valt even stil als ik hen nader. Eén jongen kijkt me een moment vragend aan. De sfeer is wat opgewonden, maar niet per se agressief. Gelukkig weet ik het groepje te passeren zonder kleerscheuren.

Even verder, op een wat meer afgelegen en donkerder stuk, staat een vrouw van in de 50, met haar rug naar me toe. Ze haalt iets uit haar fietstas, terwijl ze met haar andere arm het stuur vasthoudt. Ze neemt haar tijd en waant zich ogenschijnlijk alleen. Als ik haar tegemoet loop, aarzel ik wat te doen. Zal ik me excuseren, en vragen of ik er langs mag? Of laat ik haar daarmee juist schrikken? Zal ik anders wachten tot ze klaar is met haar fietstas? Of komt dat juist nog bedreigender over?

Als een dief in de nacht sluip ik uiteindelijk langs haar heen. Gelukkig. Ik lijk haar niet overrompeld te hebben. Zou ze me überhaupt opgemerkt hebben?

Dan klinkt haar stem achter me: “Zeg, wensen we elkaar tegenwoordig niet meer een goede avond?”

Ik voel het bloed naar mijn wangen stromen, draai me om en laat een genant lachje ontsnappen. Oeps, sorry.. Maar door het korte contact dat ik met haar heb, voel ik me ook meteen weer meer mens, en meer mezelf.

Ik krijg er kippenvel van.

Een paar stappen verder begint mijn activity tracker te trillen. Dagelijkse doel bereikt!

Deze tekst werd zaterdag 10 augustus 2019 voorgelezen in het kader van de rubriek “Moedig Voorwaarts” in het radioprogramma Kulti Kulti. Beluister het HIER in aflevering 73!

Advertenties

Anders als die Andern

Als ik het soms even niet meer weet, ga ik aan de wandel. Soms om mijn hoofd leeg te maken, soms om het juist te vullen met nieuwe indrukken en ideeën. Niet zelden dwaal ik daarbij af richting Openbare Bibliotheek Amsterdam, filiaal Oosterdok. De dag dat deze vestiging geopend werd, zal me blijven heugen: 7-7-2007, dezelfde dag dat het me lukte te stoppen met roken. Hopelijk blijkt mijn goede voornemen net zo sterk als de natuurstenen blokken waar de OBA uit is opgetrokken..

Door de grootse opzet, de recente verbouwing, en niet te vergeten de aanwezigheid van IHLIA LGBT Heritage, is er altijd iets om me over te verbazen of te verwonderen. Begin dit jaar stuitte ik op een kleine expositie ter ere van een film uit de oude Weimar-republiek, getiteld “Anders als die Andern”.

Op een scherm is een samenvatting van de speelfilm te zien (zie HIER online). “Anders als die Andern” vertelt het verhaal van een succesvol violist die de liefde vindt bij een leerling van hem. De tederheid tussen de twee mannelijke hoofdrolspelers is overtuigend en ontroerend, wekt sympathie en herkenning bij me op. De stijl, manier van acteren en de beeldvoering verwijzen terug naar de tijd, 1919, toen deze film geproduceerd werd. 1919, precies een eeuw geleden, tevens hetzelfde jaar dat de OBA opengesteld werd voor het publiek!

Even weet deze stomme film me met stomheid te slaan.. Ik word intiem getuige van hoe het leven van een homo in Duitsland er 100 jaar geleden uitzag. De verliefdheid is schattig om te zien, maar de tijdgeest werpt een diepe schaduw over de relatie heen. Omdat homoseksualiteit bij wet verboden is, middels paragraaf 175, vallen de heren ten prooi aan chantage, die hen tot vertwijfeling, depressie en zelfs zelfmoord brengt.

Het is een bittere boodschap, maar er is ook hoop te vinden in het personage van de dokter. Deze rol, gestalte gegeven door niemand minder dan de echte dokter Magnus Hirschfeld, is baanbrekend te noemen. Hij deelt hierin zijn visie op homoseksualiteit, die haaks staat op de maatschappelijke mores van die tijd. Volgens Hirschfeld komt homoseksualiteit overal in de natuur voor, is het geen abnormaliteit, maar enkel een variatie, en staat in principe niks de homoseksueel in de weg om een gelukkig leven te leiden — met uitzondering dus van die vervloekte paragraaf.

Ter plekke besef ik ineens hoe groot de rol van bibliotheken de afgelopen eeuw moet zijn geweest. Als kennis macht is, en kennis een einde kan maken aan misverstanden en discriminatie, dan is de openbare bibliotheek een perfect instituut om die kennis, gratis en voor iedereen die dat wil, beschikbaar te maken.

Onwillekeurig moet ik terugdenken aan het onzekere homojongetje dat ik ooit was, snuffelend in een make-up-boek van Boy George, en later schielijk romans lenend van John Fox en Armistead Maupin. Net zoals anderen voor mij hoop hebben kunnen putten uit de film en de geschriften van Hirschfeld, wist ik me ontworstelen aan mijn persoonlijke vooroordelen en moed te vatten door me een roze slag in de rondte te lezen.

Ook voel ik me trots op de OBA, om het faciliteren van de Mosse-lezingen over seksuele diversiteit, de Reve-middagen, de bijzondere tentoonstellingen en het feit dat ze juist Dolly Bellefleur vroegen om een “obade” te schrijven ter ere van het jubileum.

Het doet me goed dat zowel enthousiaste pensionado’s als ijverige jonge scholieren de weg naar de huidige bieb weten te vinden. De vorm en functie zijn weliswaar veranderd door de komst van het internet, maar toch hoop ik dat het over 100 jaar nog steeds, in welke hoedanigheid ook, een toevluchtsoord mag zijn voor eenieder die onderzoekend, nieuwsgierig en anders is.

Deze tekst werd zaterdag 8 juni 2019 voorgelezen in het kader van de rubriek “Moedig Voorwaarts” in het radioprogramma Kulti Kulti. Beluister het HIER in aflevering 71!

Imago

Een beeld zegt meer dan duizend woorden.. Misschien wel juist daarom vervloek ik beeltenissen van mezelf. Wil er iemand een spontane foto maken met mij erbij? Liever niet. Het voelt alsof ik te veel prijsgeef in het ogenblik. Het helpt enigszins als ik, kort voordat het kiekje genomen wordt, kan zien wat er ingekaderd staat, zodat ik mezelf wat kan bijstellen. Toch voel ik me altijd lichtelijk genomen, zo niet betrapt.

Gelukkig geloof ik niet in een ziel, anders zou ik zweren dat ik meerdere malen bestolen ben, toen  iemand het nodig vond me binnen diens gevoelige plaat te betrekken. Het ergste was nog wel die noodgedwongen pasfoto voor mijn nieuwe ID-kaart, hartje winter genomen, met de doem en bevroren dauw nog in mijn haar. De geroutineerde, en ongetwijfeld bekwame fotograaf binnen de elektrische poorten van het Amsterdamse stadhuis, knipte een portret dat me onaangenaam trof in natuurgetrouwheid: een rode neus, opgeblazen gezicht en wallen om U tegen te zeggen. Ja, dat klopte zeker met wat ik vaak in de spiegel zie als ik ’s ochtends net wakker ben. Maar moet ik nu blij of verdrietig zijn dat deze kaart geldig is tot 2027?

Griezelig wordt het als ik zie wat neurale netwerken en kunstmatige, zelflerende systemen nu vermogen. Gek hoe parameters van Facebook me eerder weten te herkennen dan levende mensen de behoefte voelen om me te taggen. Akelig te horen dat er onderzoek gedaan wordt naar fysieke kenmerken van homoseksualiteit in foto’s. Zal ooit een snapshot  van enkel mijn kaaklijn genoeg zijn om me te brandmerken? Komt er in de toekomst plastische chirurgie gespecialiseerd in de correctie van resting gay face? Laten we het niet hopen..

Vooralsnog is er verwondering en plezier om de techniek. Ik maak een selfie en draai deze door FaceApp. Parallelle universa openen zich  daarna voor me. Nooit zo gedetailleerd  kunnen bedenken hoe ik er uit zou zien als kale man met baard, of als vrouw, als aantrekkelijke man of als bejaarde versie van mijn toekomstige zelf, maar FaceApp schotelt me al deze opties voor, en het lijken me stuk voor stuk mensen van vlees en bloed.

Als dit de lachspiegels zijn van deze tijd, zijn ze verdomde waarachtig.  Oh, opa Wielie! Ik zie hem ineens terug in een simulatie, en mis hem, met zijn pak, zijn sigaar en stok.. Maar ik ben het stiekem zelf..

Deze tekst werd zaterdag 14 oktober 2017 voorgelezen in het kader van de rubriek “Moedig Voorwaarts” binnen aflevering 51 van het radioprogramma Kulti Kulti.

Ton Vorstenbosch

Halverwege de jaren negentig was ik in de greep van de tragikomedie.  Als deeltijdstudent dramaschrijven dompelde ik mezelf onder in scripts en theatervoorstellingen, zoekende naar een stijl en een toon die met me resoneerden. Amper twintig, het ouderlijk huis nog niet verlaten, toog ik, meestal alleen, naar de Nijmeegse Stadsschouwburg om me daar te laven aan de grotere en kleinere werken uit de toneelliteratuur. Een voorstelling die bijzondere indruk op me maakte was de reprise van De miraculeuze come-back van Mea L. Loman (1982), geschreven door Guus Vleugel en Ton Vorstenbosch.

Naast de vinnige dialogen, het navrante opportunisme van de amateurzangeres en protagoniste Mea, en de hilarische onderlinge machinaties, voelde ik me geraakt door het personage van Freek. Sterker nog: ik herkende me helaas maar al te zeer in de depressieve, sensitieve, door schaamte gekwelde zoon van Mea. Hij belichaamde voor mij in al zijn eendimensionaliteit de angst om ten onder te gaan aan mijn eigen passiviteit.

Toen een docent opperde dat ik Ton Vorstenbosch wellicht in het afstudeerjaar zou kunnen vragen om me te begeleiden, schrok ik opnieuw. Ton Vorstenbosch.. Waarom dacht die docent nu juist bij mij aan Ton Vorstenbosch? Hoe zou ik me in hemelsnaam moeten verhouden tot zulk een scherpzinnige en vrije geest? De man zou me ongetwijfeld binnen vijf minuten verbaal fileren. Hij zou vast geen geduld hebben voor mijn wankelmoedige getut. Bovenal zou hij dwars door me heen kijken, en me confronteren met mijn grootste geheim: mijn homoseksualiteit.

Het mocht niet zo zijn. Mijn studie strandde. Ik kreeg het advies om in plaats van het vierde jaar, eerst eens “een tijdje de wei in te gaan”.  Via omwegen kwam ik uiteindelijk toch nog terecht in het door mij zo begeerde Amsterdam, waar ik eindelijk de vrijheid vond waar ik zo naar snakte.

Mijn passie voor toneel is nooit helemaal geluwd, maar mijn dramatische pen verstofte aanzienlijk, tegelijk met mijn antiquarische paperbacks met verzamelde toneelstukken.

Hoewel zijdelings, bleven het werk en de persoon Ton Vorstenbosch me altijd fascineren. Ik kreeg groot respect voor de veelzijdigheid van ’s mans oeuvre: van de satirische komedies met Guus Vleugel tot de historische koningsdrama’s van de latere jaren, en zelfs ook een aantal hoorspelen in verschillende genres.

Gesmuld heb ik van zijn homoseksuele personages, zoals de worstelende jongeman Ron in Carrie of de seksuele revolutie (1981)en de zwaar op de hand zijnde operaliefhebber Gabriël in Moord in de Stopera (1993). Buitengewoon visionair bleek Angst en ellende in het rijk van Kok (1999), waarin de oudere homo Aldo de straat niet meer op durft omdat hij bang is voor Marokkaanse jongens.

Hoewel ik ooit Ton Vorstenbosch de hand heb mogen schudden, bleef ik een bewonderaar op afstand. Was het de afkeer van het idee een held te ontmoeten, en deze dan van zijn voetstuk te zien vallen? Was het mijn oude onzekerheid? Hoe dan ook bleek ik te bescheten, te labbekakkerig.. Woulda shoulda coulda. Als ik nou dit, als ik nou dat.. Als niet als. Te laat.

Nu Ton Vorstenbosch er niet meer is, hoor ik van vrienden en bekenden van hem, dat mijn vrees totaal ongegrond was. Sterker nog: iedereen die hem gekend heeft, verzekert me dat hij juist uitzonderlijk vriendelijk en toegankelijk was.

Nooit echt gekend, maar toch schatplichtig aan zijn inspirerende en sprankelende persoonlijkheid.. Dank je, Ton Vorstenbosch!

Deze tekst werd zaterdag 11 maart 2017 voorgelezen in het kader van de rubriek “Moedig Voorwaarts” binnen aflevering 44 van het radioprogramma Kulti Kulti.

Gay & Lesbian Studies

De ideale studie bestaat niet. Begin deze eeuw moest ik, als derdejaars student Engelse letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam, deze waarheid onder ogen zien. Kon ik niet beter ten halve keren dan ten hele dwalen? Ik voelde me te weinig uitgedaagd, was teleurgesteld door de vele saaie verplichte blokken, en afgeknapt op het schoolse karakter van de opleiding. Moest ik nog wel door?

Gelukkig was ik niet alleen in mijn impasse. Met een lesbisch studievriendinnetje kon ik na de colleges, vaak onder het genot van een iets te duur broodje, voluit klagen en spuien, maar ook lachen en plannen smeden. Gesterkt door de band die was ontstaan doordat we elkaar hadden leren kennen toen we allebei problemen hadden in de liefde, besloten we samen door te gaan tot het bittere einde van onze voorgenomen studie. Weg met de quarter-life crisis, weg met het liefdesverdriet en weg met de twijfel!

Om het voor onszelf boeiender te maken, zochten we buiten de faculteit om naar alternatieve cursussen, die de vrije studieruimte konden opvullen. In het oog sprong meteen Gay & Lesbian Studies. Het voelde gelijk als een spannend avontuur: op zo’n heel andere faculteit, te midden van internationale studenten, ons verdiepen in iets wat ons bijzonder nauw aan het hart ging, onze seksualiteit. Persoonlijk was het ook een kroon op mijn coming-out, een overwinning op die duistere periode waarin ik gepest werd en sudderde in zelfhaat.

Hoofddocent was een licht grijzende oudere homoman, met een bijzondere dictie, waarin zowel Gronings alsook iets deftigs doorklonk. Hij was gekleed in een glimmend sportpak en heette Gert Hekma. Samen met wat gastdocenten zou hij ons door dit trimester loodsen, en wegwijs maken in queer theory, Foucault, Sedgwick en Butler. Het vuistdikke pak papier dat we als reader dienden te bestuderen loog er niet om. Dit was menens!

Gert bleek een gigantische bron van kennis te zijn, of het nu over de geschiedenis van homoseksualiteit in Nederland ging of de perversies van De Sade. De details deden me soms duizelen. Tegelijk verontrustte hij me ook een beetje, als hij ons vroeg wat we vonden van controversiële zaken als pedofilie en sadomasochisme. Het gemak waarmee hij bepaalde vermeende taboes op een academische manier aan wist te snijden, fascineerde me. Had deze man nou helemaal geen schaamte? Of ik juist te veel?

Naast discussies rond publicaties en de daarin vervatte theorieën, gingen we ook als groep het veld in. Onvergetelijk waren de rondleiding door de Amsterdamse rosse buurt en, niet ver verwijderd van de openstelling van het huwelijk voor homo’s en lesbo’s, het bezoek aan de Tweede Kamer. Ook was er de wekelijkse opdracht om een kijkje te nemen op een homo- of lesbo-gerelateerde plek naar keuze, en daar verslag van te doen.

Het was daar, dat ik koos om mijn grenzen te verleggen. Ik mocht dan beweerd hebben dat een darkroom niks voor mij was, maar hoe kon ik dat zo zeker weten als ik het nooit had geprobeerd? En wat te denken van de homosauna? Kom op! Ik herinner me nog hoe ik met knikkende knieën het pand betrad, wel 20 minuten nam om me uit te kleden, maar uiteindelijk met 7 jongens heel veel plezier had. Als ik me betrapt had gevoeld door iemand, had ik waarschijnlijk gemeesmuild dat ik het alleen maar “voor de research” deed..

Al met al is Gay & Lesbian Studies het meest ingrijpende en persoonlijke vak gebleken dat ik ooit heb gevolgd. Het was een voorrecht om met docenten en leeftijdsgenoten samen te onderzoeken wat seksuele identiteit en gender kunnen zijn, in theorie, maar ook in de meest intieme betekenis. Mijn ideeën zijn hierdoor vrijer, minder bekrompen en meer op context of introspectie gebaseerd geworden, en mijn blik is verruimd. Wat mij betreft de universiteit zoals die bedoeld is, of, om met Foucault te spreken:

“I don’t feel that it is necessary to know exactly what I am. The main interest in life and work is to become someone else that you were not in the beginning.”

gay-and-lesbian-studies

Deze tekst werd zaterdag 10 december 2016 voorgelezen in het kader van de rubriek “Moedig Voorwaarts” binnen aflevering 41 van het radioprogramma Kulti Kulti.

Djinn – Tofik Dibi

Vanaf het moment dat hij aan het politieke firmament verscheen, wist hij menigeen te fascineren: Tofik Dibi, fris, gedreven, Marokkaans-Nederlands en mediageniek. En nog homo ook, toch? Echt een aanwinst voor links-progressief Nederland, zou je denken. Hij kwam op, deed van zich spreken, kaartte belangrijke kwesties aan, maar leek na het vertrek van Femke Halsema en het Kunduz-besluit langzaam maar zeker uit koers te raken. Persoonlijk vond ik het pijnlijk te zien hoe krampachtig hij ontkende homo te zijn. Vervreemdend was ook de campagnetaal in de greep naar het leiderschap van GroenLinks. Bam! Van een rijzende ster was hij, in korte tijd, een gevallen ster geworden.

In de poëtische opening van zijn autobiografische boek Djinn, neemt Dibi ons mee in een mijmering over gevallen sterren, en geeft daarmee inzicht in zijn meest persoonlijke geheimen. Intrigerender dan de onthulling van het toch al wel publieke geheim van zijn homoseksualiteit, zijn de beschrijvingen van zijn innerlijke strijd, zijn angst en wanhoop, wensend bij een vallende ster, hopend op verlossing van het: “het onzegbare, het naamloze, dat altijd weer een weg terug vindt.”

Enerzijds is het verhaal van Tofik Dibi er een van verwoede pogingen te overleven binnen de schijnbaar tegenstrijdige werelden van homoseksualiteit en islam. Hoe gruwelijk en gewelddadig dit uit kan pakken, lezen we in de passages over zijn geheime escapades, die vaak eindigen in misbruik en mishandeling. “Dan verdwijn ik in mezelf, weg van hier, naar een plek waar alles klopt.”

Anderzijds is het een diep en intiem zelfportret van iemand die op zoek is naar zichzelf, en die hunkert naar herkenning. Wat te doen als je je nergens aan kan spiegelen? Wie ben je dan? Besta je dan eigenlijk wel? Mag je er wel zijn?

Veelzeggend zijn de talloze vergelijkingen die door het boek heenlopen. Dibi duidt zichzelf, en de mensen om hem heen, bij voorkeur door te verwijzen naar sprookjesfiguren (monsters, vampieren, Hans en Grietje, Sneeuwwitje, de boze stiefmoeder) of andere iconen uit de moderne popcultuur (de tovenaar van Oz, Pietje Bell, Roald Dahls Matilda, de Hulk en de X-Men). Het is alsof hij, bij gebrek aan rolmodellen van vlees en bloed, zijn eigen voorbeelden schept, puttend uit de fantasie en de vertelkunst.

Tegenover schaamte, twijfel en de interne hetze van het geheim en wat ze er misschien wel van zouden kunnen denken, staan gelukkig genoeg momenten van vertedering, dromen en hoop. Zo schrijft Dibi liefdevol over zijn eigenzinnige vader, zijn familie in Marokko en over ex-collega’s in de politiek. Daarnaast spreekt hij bewondering uit voor de lesbische moslima Irshad Manji en voor de onverschrokken vrijheidsdrang en diversiteit van de ball culture, zoals deze in beeld gebracht is in de documentaire Paris Is Burning.

Al met al een indrukwekkend en ontroerend boek, sensitief geschreven, zonder wrok, maar weloverwogen en met bijzonder veel persoonlijke nuance. Een spiegel voor Dibi zelf, en een krachtig voorbeeld voor vele anderen!

djinn

Deze tekst werd voorgelezen op zaterdag 14 november 2015 binnen aflevering 28 van het radioprogramma Kulti Kulti (in de rubriek “Moedig Voorwaarts”)

Smalltown Boy

1984. Ik ben acht jaar oud en mijn favoriete tv-programma is AVRO’s Toppop. Het is de bloeiperiode van de videoclip, en ik verslind iedere nieuwe popartiest, ieder nieuw liedje. Ik raak geobsedeerd door Michael Jackson, wordt vrolijk van Cyndi Lauper, en doe mijn best de naam te onthouden van dat dansende meisje op die boot — Madonna. Ook is er een clipje waar ik van ga blozen, zonder dat ik weet waarom. Het is “Smalltown Boy” van Bronski Beat.

Het clipje begint met een shot van voorbijrazende treinrails, overlopend in een close-up van een bleke, verlegen jongen, die alleen in de trein zit. De synthesizerbeat versnelt tegelijk met het op stoom komen van de trein. De zanger zingt falsetto. Een verhaal ontrolt zich.

Met acht jaar weet ik niet precies wat een flashback is, maar ik versta het effect. Hoewel ik de verhaallijn niet helemaal kan volgen, krijg ik toch zo veel mee, dat het me erg raakt.

Homoseksualiteit is me onbekend. De Engelse tekst is geheimtaal. “Smalltown boy” en “run away, turn away” zijn abracadabra voor me. De politieke lading rond het begrip “the age of consent” ontgaat me totaal.

De jongeman in de clip krijgt het behoorlijk te verduren. Hij is eenzaam, ziet een jongen in het zwembad van de duikplank springen, zoekt contact, wordt achtervolgd en belaagd, door de politie bij zijn ouders thuis gebracht, en neemt dan de trein, weg van waar hij vandaan komt.

Lang voor er lust in mijn leven zal komen, lang voor ik zelf als plattelandsjongen weg zal trekken naar de grote stad, lang voor ik zal weten dat ik homo ben, voel ik me betrapt en ontmaskerd door deze muziekvideo.

De kracht schuilt in de ogen en stem van zanger Jimmy Somerville. Hij is klein van stuk, kwetsbaar, en laat me precies zien wie ik bang ben te zijn: de buitenstaander. De jongen die afgewezen wordt. Degene die niet stoer genoeg bevonden wordt door de anderen. Degene die niet gevraagd wordt voor het feestje. Die bars wordt toegesproken en belachelijk gemaakt.

Dertig jaar later, zie ik de clip opnieuw, en besef dat er op sommige fronten gigantisch veel vooruitgang is geboekt, terwijl er tegelijkertijd, elders, velerlei buitenbeentjes moeten zijn, die zich, helaas, nog steeds pijnlijk zullen herkennen..

Deze column werd zaterdag 12 juli 2014 voorgelezen in het radioprogramma KULTI KULTI, aflevering 12