Tagarchief: mvs gaystation

Sgt. Pepper 2017

Mijn frambozenijsje smelt sneller dan ik likken kan. Mijn indrukken zijn veelvuldiger dan ik wat ik neerkalken kan. Ik luister naar Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band van The Beatles, en raak overweldigd.

50 jaar na het verschijnen van de oorspronkelijke LP in de zomer van de liefde, open ik mijn oren voor de nieuwe stereomix. De perfecte gelegenheid vind ik aan het einde van de dag, als ik naar buiten stap en het klassieke album al wandelend tot me neem, over de opgebroken Dijksgracht, het Java-eiland en de Oostelijke eilanden van Amsterdam.

Het voelt alsof ik in mijn eigen voetstappen treed. Terwijl de iepenzaadjes langsdwarrelen, ga ik terug in de tijd. Ik ben weer even in Groesbeek, op mijn jongenskamer, waar ik de LP van de bieb heb geleend en op een cassette op heb genomen. De muziek is als honing voor mijn oren. De psychedelische klanken zijn een elixer van vrijheid. Lucy In The Sky With Diamonds is als een poort naar een wereld waarvan ik het bestaan niet had kunnen vermoeden.

Ook bezoek ik in gedachten mijn peetoom Ton. Hij is de grootste Beatlesliefhebber in de familie en wist me al vroeg aan te steken met zijn passie. Hij laat me als jonge jongen de hoes van Sgt. Pepper zien, en stelt me gerust: Nee, Paul McCartney is niet verongelukt en vervangen door een dubbelganger! Geduldig legt hij me uit hoe onwaarschijnlijk die theorie is. Achter hem staat een poster uit het witte dubbelalbum, en naast hem rijen cassettes met de vele honderden prachtige liedjes en instrumentale nummers die hij zelf schreef, geïnspireerd door die intuïtieve autodidacten uit Liverpool. Later, als ik een puber ben met artistieke aspiraties, weet hij me op zijn beurt moed te geven om door te gaan met schrijven en zingen.

Anno 2017 krijg ik kippenvel bij het horen van de nieuwe mix. Zeer smaakvol en kundig heeft Giles, de zoon van de originele producer George Martin, de kwaliteiten van de monomix gebruikt voor een nieuwe stereoremix. Waar de oude stereoversie een haastklus was, met een grof, onnatuurlijk stereobeeld, biedt de remix een kristalhelder en prettig alternatief, en, wat mij betreft, zeker een verbetering. Het wordt hierdoor minder verheven en klinkt het meer dan ooit als een rockband die op staat te treden.

“It’s getting better all the time” is bitterzoet. Nog nooit klonken die woorden zo puur. Dit geldt ook voor de keerzijde: de cynische tegenwerping “it can’t get no worse” van John Lennon. Terwijl er de laatste tijd gestaag meer ziekte, verval en dood mijn leven binnensluipt, klinken The Beatles vitaler en frisser dan ooit. Over 100 jaar misschien zelfs nog wel méér. Het eeuwige overschaduwt langzaam maar zeker het tijdelijke. A Day In The Life is geen momentopname meer, maar vele levens en generaties vervat in één song. De nieuwe Sgt. Pepper is al met al een monument dat in al zijn glorie toch ook een beetje pijn doet..

Deze tekst werd zaterdag 10 juni 2017 voorgelezen in het kader van de rubriek “Moedig Voorwaarts” binnen aflevering 47 van het radioprogramma Kulti Kulti.

Advertenties

Rituelen

Bij het krieken van de dag, sta ik op en benut de energie van de afnemende maan. Ik ontsteek een witte kaars en wierook en spreek de bezwering uit. Op mijn geïmproviseerde altaar staan een tarotkaart van de Toren en een zielig stompje wortel met daarop een foto van de huidige president van de Verenigde Staten. Met alle stelligheid die ik in me heb, bekrachtig ik de intentie dat de voorziene schade voor mens en milieu uitblijft, en dat die blaaskaak en zijn enge vriendjes weinig uit zullen kunnen richten. Als ik me heb ontdaan van de as van de foto en de wortel, ga ik terug naar bed en geef me over aan de slaap.

Ben ik gek geworden? Of ben ik nu juist meer geworden wie ik altijd al was? Hoewel ik een grote eerbied heb voor wetenschap en feiten, kan ik niet onder de kracht van rituelen uit. Rituelen geven me troost en nieuwe hoop. Rituelen maken dat ik weerbaarder ben tegen cynisme en apathie.

Toen ik via de sociale media vernam dat er een wereldwijde spirituele beweging tegen het beleid van Trump was geboren, kon ik niet anders dan me aansluiten. Het betreft hier een zogenaamde binding spell, een gulden middenweg tussen een rooskleurige bevestiging van dat alles precies goed is zoals het is, en een regelrechte voodoovloek.

Van wrok en woede heb ik inmiddels meer dan genoeg. Trump mag dan een uitmuntende haatmagneet zijn, het voelt als een persoonlijk verlies om me nog verder te laten meeslepen. Mijn dagelijkse gewoonte om het wereldnieuws op de voet te volgen, heeft me regelmatig aan de rand van de bitterheid gebracht. Hoe vaak heb ik niet, bij het vernemen van de actualiteiten, inwendig geschreeuwd? Hoe vaak heb ik niet razendsnel dingen bedacht om te zeggen, die in gruwelijkheid en botheid nèt nog een tandje erger zouden zijn dan wat me zojuist vers voor ogen was gekomen?

Dagelijkse gewoontes zijn onopvallend, maar scheppen wel degelijk het dagelijks leven. Rituelen verschillen van dagelijkse gewoontes omdat er meer intentie in aanwezig is. Wat zou er beter zijn om hinderlijke gewoontes te overwinnen dan ze te vervangen met zelfgekozen zinvolle rituelen?

Anno 2017 bestaan er concentratiekampen in Tsjetsjenië waar homo’s gemarteld en vermoord worden. Dat is gruwelijk wereldnieuws, maar het mist eerlijk gezegd de impact die ik zou verwachten. Het merendeel van de mensen die ik hierover vertel, weigert het eenvoudigweg zomaar te geloven. Ik wil er zelf amper aan. Het gif is moeilijk te verteren. Het maakt moedeloos en machteloos: Wir haben es nicht gewusst 2.0.

Wat doen mijn goede wil en bevoorrechte positie er uiteindelijk toe? Ik mag en zal niet toegeven aan twijfel en nihilisme. Nee, ik zal me daarentegen nog meer richten op vruchtbare rituelen. Ik zal, als ik het zie, bevestigend klikken op iedere online petitie die me enigszins raakt. Ik zal, al weet ik dat het niet direct zoden aan de dijk zal zetten, kleine donaties doen. Ik zal, al valt de opkomst tegen, en al hebben tegenstanders er totaal schijt aan, toch samen met anderen protesteren op straat, op het Homomonument of waar dan ook, omdat het toevallig het beste is wat ik voel dat ik kan doen..

Deze tekst werd zaterdag 13 mei 2017 voorgelezen in het kader van de rubriek “Moedig Voorwaarts” binnen aflevering 46 van het radioprogramma Kulti Kulti.

Wandeling

Het einde van deze zomer is nakende. Met gezwinde pas wurm ik me uit mijn benauwende schaduwleven, en waag me in mijn stoute, doch toch al wat afgetrapte schoeisel. Ik begeef me buiten de voordeur, en laat de serendipiteit haar werk doen. Zij zal mij brengen waar ze me brengen wil, in weerwil van wat ik misschien zelf zou willen, als ik al zou weten waar ik heen wil..

Ik dwaal deze avond door mijn geliefde Amsterdam, zonder route, zonder plan, volmaakt ongebonden. De tegels, het plaveisel, de straten en de buurten betreed ik zonder vragen. Toch hoop ik heimelijk op een verlossend antwoord, dan wel een kompas. Mocht iemand mij ontwaren, dan ben ik voorbereid om schijnbaar moeiteloos door te flaneren, alsof ik weet waar ik naartoe ga, glorieus afstevenend op de volgende kruising.

Al lopende blijk ik af te druipen richting mijn verleden. Al lopende merk ik dat ik steeds meer in mijn eerdere voetstappen treed. Mijn tocht brengt me naar een slingerende wijk net buiten de stad, waar ik ooit als jonge student op kamers ging. De bewuste doorzonwoning blijkt onveranderd kil en karakterloos. Opnieuw voel ik me enigszins verloren.

Als het daglicht langzaam verdwijnt, versnel ik mijn pas en daver ik doelloos langs de rafelranden van een stadspark. Ik ruik patchouli en voel de broeiende walm van het struikgewas, en stuit dan op een groepje mannelijke studenten dat zich waarschijnlijk middenin hun introductie bevindt. Als voortvarende passant loop ik een boogje om, maar beland daarmee juist pal tussen hen in.

Even omgeeft een dartele onschuld mij. Even ben ik het oog van een bruisende orkaan. Even dwarrelen de jongens om mij heen. Ze zijn jong, dronken en onbeholpen. Even weet ik niet hoe me hier toe te verhouden. Hun zomerse nonchalance, korte broeken en gebruinde harige benen overweldigen me. Ze stoeien, testen elkaar, langs me heen, alsof ik er niet ben.

Ik ontkom, en voel me weer een beetje die jongen die altijd als laatste gekozen wordt bij de gymles..

Op mijn zigzaggende dwarreltocht, doorkruis ik vervolgens een willekeurige woonwijk. Ik zie een supermarkt, die nog open is, en stap daar binnen, hopend op een teken.

Het blijkt echter de hoogste tijd. Voor mij rest er niet meer dan een impuls-aankoop: een zak borrelnootjes van het huismerk. In de rij voor de kassa treft mij ineens een wat gezette oudere man, die 6 halve liters bier op de lopende band voor zich heeft gelegd. Hij lijkt warempel wel op.. Hans van der Togt! Nee, het zal toch niet? Nee, hij is het niet, maar wel hetzelfde type..

Dan knipoogt hij naar me, met een blik die het midden houdt tussen flirt en verstandhouding. Ik bloos, en voel me betrapt.

Onthutst knik ik naar hem als hij me een fijne avond wenst. Is dit mijn voorland, mijn lotsbestemming?

wandeling

Deze tekst werd zaterdag 10 september 2016 voorgelezen in het kader van de rubriek “Moedig Voorwaarts” binnen aflevering 38 van het radioprogramma Kulti Kulti.

Recht van spreken

Orlando, oh Orlando.. Wat lijkt het lang geleden dat het nieuws van die aanslag op homonachtclub Pulse de wereld schokte, terwijl er nog amper een maand voorbij is. Inmiddels hebben andere ellendige gebeurtenissen de aanslag ruimschoots naar de achtergrond gedrongen. Tot mijn ontsteltenis hebben de laatste inzichten van de FBI  inzake deze moordpartij, de Nederlandse media nauwelijks bereikt. Als er nog iets opborrelt, zijn het sensatieverhalen over de daders vermeende homoseksualiteit, ofwel gebaseerd op achterhaalde berichtgeving, ofwel, zoals deze week bleek, uit de duim gezogen voor sappige clickbait.

Feitelijk weten we nog steeds bar weinig over de motieven. Nee, Mateen was waarschijnlijk geen terrorist, geen homo, en nee, het was geen crime passionnel. Wat dan wel? We zullen het wellicht nooit te weten komen, maar door het ontstane vacuüm, is juist des te schrijnender duidelijk geworden hoeveel pijn er heerst in de harten van zovelen. IS mag de aanslag hebben opgeëist, commentatoren en opiniemakers binnen de oude en nieuwe media hebben zich gestort op het afbakenen van de context. Hun claims deden me soms duizelen. Ik zag atheïsten op hun anti-religieuze stokpaardje klimmen, zag het gepsychologiseerde relaas van de zichzelf hatende homo in diverse varianten, en las vurige pleidooien tegen de wanstaltige wapenwetgeving. Dan was er Kustaw Bessems, die het gebeurde aangreep om te betogen dat het met de LHBTI-acceptatie helemaal niet zo snor zat als wel gedacht, je had Botte Jellema, die zich gekwetst toonde nadat hij gezien had hoeveel minder mensen op de Dam stonden, in vergelijking met na de aanslag op Charlie Hebdo, en dan was daar Tofik Dibi, die op zijn beurt in wenste te zoomen op de etniciteit en religiositeit van de slachtoffers.

Sinds een tijdje, ook buiten de berichtgeving over Orlando, heb ik de indruk dat er gevochten wordt in de media over welke groep nu het meeste leed treft. Ik proef verongelijktheid over het mogelijk verkeerd inschatten van wie nu het grootste slachtoffer is. De zwarte? De moslim? De homo? De vrouw? En nog belangrijker: wie heeft er het meeste recht van spreken? Het grenst aan schuld door associatie om in debatten de ander weg te zetten als intrinsiek bevooroordeeld, niet op basis van argumenten, maar op basis van iemands culturele achtergrond. Ja, het is geen overbodige luxe voor bepaalde bevoorrechte meerderheden om drastisch beter naar anderen te gaan luisteren, maar ik betwijfel of dit bespoedigd wordt door te eisen dat “sommige mensen gewoon hun bek houden”.

Ook actueel is een nieuw soort purisme. Het recht van spreken, zelfs als alles er op wijst dat de intenties goed zijn, wordt steeds vaker betwist en soms zelfs getorpedeerd. Neem de discussie rond Nick Jonas, een heteroseksuele popzanger, die hevig bekritiseerd werd omdat hij een herdenkingstoespraak had gegeven na Orlando. Niet de inhoud van zijn speech, maar het feit dat hij zelf niet homo was, vormde de kern van het misnoegen.  In Nederland hadden we vorige week een soortgelijk akkefietje, toen twee heteroseksuele TV-presentatoren zoenend op de cover van de LINDA-glossy L’HOMO verschenen. Ja, er zal zeker sprake zijn geweest van mediageilheid en commercieel opportunisme, maar het lijkt me veel te ver gaan om de cover gelijk te stellen aan blackface.

Er is zoveel pijn. Er is zoveel lijden. Er zijn zoveel mensen die zich terecht miskend, genegeerd en benadeeld voelen. Waarom doen we dit elkaar aan? Waarom maken we het nog zwaarder voor elkaar dan het al is?

“What the world needs now is love, sweet love / It’s the only thing that there’s just too little of..” Ware woorden, en helaas, nu met onder andere Orlando, Dhaka, Bagdad en Dallas, maar al te toepasselijk..

Recht van spreken

Deze tekst werd voorgelezen op zaterdag 9 juli 2016 binnen aflevering 36 van het radioprogramma Kulti Kulti (in de rubriek “Moedig Voorwaarts”)

In een handomdraai

Wat is het geluid van één hand die klapt.. ?

Ik vraag het me af terwijl ik mijn wonden lik. Mijn brein draait overuren. In een handomdraai heeft iemand begin dit jaar gemeend mij even iets voor te doen, waardoor ik het tot nu toe moet bezuren. Een handomdraai, een bruuske, botte, bizarre greep naar mijn linkerpols, gevolgd door een beweging die me ver voorbij mijn pijngrens dreef. Mijn stoerheid bleek niet bestand tegen deze brute agressie. Ik raakte overmand door misselijkheid en viel uiteindelijk, middels een verlate tegenreactie op de onthutsende lompheid, flauw.

Toen ik bijkwam, wist ik vrijwel meteen dat er iets geknapt was. Naast mijn vertrouwen, dat best een knauw had gekregen, bleek later dat het ligament dat ellepijp en spaakbeen met elkaar verbindt, totaal afgescheurd was van het bot. Optimisme van sommige vrienden ten spijt, dreigde dit een langdurig traject te worden van pijn, operaties, gips, spalken en revalidatie. In een handomdraai werd mijn leven kleiner dan het sinds tijden geweest is. Maandenlang zal ik niet kunnen sporten of fietsen, en niet normaal kunnen typen, koken of douchen.

Mijn arm zit tot over de elleboog vast in een plastic spalk, die ik dag en nacht dien te dragen. Ik sta ermee op en ga ermee naar bed, en tussendoor versjteert het mijn slaap met nachtmerries en andere onderbrekingen. Wanhopig experimenteer ik met restjes oxycodon en rode wijn, maar word enkel mistroostig en murw wakker. De spalk voelt als een openhaardblok dat vastgeklonken zit aan aan mijn lijf. Het is een ongewenst pantser dat zoiets basaals als een omhelzing vrijwel onmogelijk maakt. Om nog maar te zwijgen van het openen van een grote bak kant-en-klare aardappelsalade! Gemak krijgt echt een andere betekenis als je één arm niet meer kunt gebruiken..

In een handomdraai werd mijn lente, in plaats van een jaargetijde van nieuwe initiatieven, er een van contemplatie en meditatie, een warm uitgevallen extra winter, met als grote leermeester: geduld. Het is bitterzoet. Aan de ene kant is er woede, verdriet en onmacht over deze noodgedwongen stilstand. Aan de andere kant is er ook nederigheid en ontroering, bijvoorbeeld als een lieve vriend aanbiedt voor me te koken, een kleine meisje in de supermarkt oprecht wil weten wat er met mijn arm aan de hand is, of als ik in fijn gezelschap kan genieten van een koffie in de zon.

gipsx

 

Deze tekst werd voorgelezen op zaterdag 14 mei 2016 binnen aflevering 34 van het radioprogramma Kulti Kulti (in de rubriek “Moedig Voorwaarts”)

De Trut (30 jaar)

Zo’n dikke vijftien jaar geleden zette ik mijn eerste wankelmoedige stappen in potten- en flikkerdisco De Trut. Geplaagd door liefdesverdriet, zocht ik troost en afleiding, en vond uiteindelijk meer dan waar mijn gebroken hartje nog op had durven hopen. Na dat eerste bezoekje, ingegeven door de veelvuldige aanprijzing dat deze tent “echt iets voor mij” zou zijn, was ik verkocht, en bleef ik terugkomen. Vijftien jaar later, maak ik zowat deel uit van het meubilair. De Trut, wie is er niet groot mee geworden?

Nu ik de veertig nader, kijk ik met vertedering terug op die eerste avonden. Niet alleen zijn het dierbare herinneringen, maar de belofte van toen blijkt springlevend in de twinkelende ogen van de jonge studenten die nu De Trut aan het ontdekken zijn. O heerlijke jeugd, o vrijheid, o experiment! Hoe groot was mijn beginnersgeluk, vervuld van gedans en gesjans. Hoe fijn was het je begeerd te weten. Hoe machtig het gevoel de mooiste jongen van de avond mee naar huis te krijgen na het flirterig bietsen van een sigaretje. Hoe spannend om achter op de scooter te stappen bij die sexy jongen, of in het holst van de nacht nog met twee schatjes een trio te beginnen in Den Haag!

Hoe opwindend mijn aanvankelijke avontuurtjes ook geweest hebben mogen zijn, kwam ik er al snel achter dat De Trut zo veel meer is dan een bar om mensen op te pikken. De eigenzinnige sfeer die de vrijwilligers weten te creëren, is onnavolgbaar, theatraal, soms ogenschijnlijk weerbarstig, maar altijd verrassend. Hun toewijding, idealisme en menselijkheid, maakt dat je je als bezoeker veilig voelt, wie of wat je ook bent. Hoe ver dit gaat, heb ik mogen ondervinden toen ik op het diepst van mijn depressie zat. Niet alleen kon ik me veilig voelen als LHBTQ-er, ook mijn schaduwkant en mijn chagrijn mochten er zijn. Toen ik een paar maanden verstek had laten gaan, stelde een inmiddels goede Trutvriend voor toch weer te blijven komen, al was het alleen maar om hem een plezier te doen. Okay, voor mezelf hoefde het niet, en hoewel het de depressie niet oploste, en ik zeker een paar keer overtuigd was dat iedereen me haatte, viel het me beduidend meer keren mee dan tegen. De Trut bleek een van de weinige uitgaansgelegenheden te zijn waar niet de oppervlakkige terreur van “doe eens lachen” heerste, maar waar mensen waren van verschillende leeftijd en kunne, die me accepteerden zoals ik was, niet veroordeelden, maar oprechte interesse toonden.

Soms werd het keldertje van Tetterode een ronduit magisch oord, in het bijzonder tijdens grote themafeesten. Nog geen jaar geleden, bijvoorbeeld, was de gehele vloer bezaaid met strandzand en zachte kussens, en alles omgetoverd in de sfeer van 1001 Nacht, compleet met waterpijpen, wierook en een exotische marktkraam. Wat een gigantische eer om hier in full drag ook nog eens live te mogen zingen! Sowieso is De Trut, en de optredens die ik er mocht doen, bemoedigend en stimulerend geweest om het aan te durven zangles te nemen en vaker het podium te betreden. De toevallige ontmoeting met zanger Rufus Wainwright, twee weken voor ik op dezelfde plek een van zijn nummers ten gehore zou brengen, was een synchroniciteit die ik met liefde koester.

Tegenwoordig is De Trut een plek waar ik vriendschappen onderhoud en mensen ontmoet, waar ik onder het genot van een rood wijntje van gedachten wissel en iedere week wel weer wat leer. De creativiteit van de vrijwilligers inspireert en blijft uitdagen. Gek genoeg ben ik nog altijd een beetje zenuwachtig voor ik Trutwaarts ga, voel ik die gezonde spanning van anticipatie. Wat gaat er deze week gebeuren? Wie zullen er zijn? Wat hebben ze nu weer bedacht? Waar worden we vandaag toe verleid?

Met heel mijn hart hou ik van De Trut!

trutje 30

Deze tekst werd voorgelezen op zaterdag 12 december 2015 binnen aflevering 29 van het radioprogramma Kulti Kulti (in een special gewijd aan De Trut).

Offline

Onlangs heb ik, noodgedwongen, het genoegen mogen smaken een week digitaal offline te zijn. Van het ene op het andere moment floepte mijn internetsignaal van “verbonden” naar “beperkt”naar uiteindelijk “niet beschikbaar”. De hortende en stotende webstream van Penoza IV zou voorlopig het laatste zijn wat ik zag bewegen voor het intreden van de digitale stilte.

Natuurlijk gaf ik me niet zomaar gewonnen. Herhaaldelijk de router resetten, opnieuw opstarten, kabels verwisselen en bellen met de provider, het mocht allemaal helaas niet baten. Mijn handpalm trok menigmaal vergeefs naar de optische muis, klikte routinematig op het icoon van de browser, die dan perfect opende, en alles deed behalve browsen. Zo schijnbaar binnen handbereik, maar zo schrijnend afgesneden.

Schrikbarend confronterend, deze plotselinge sabbatical. Na de aanvankelijke ontkenning, kwamen al snel de ontwenningsverschijnselen en het gevoel van gemis. Hoe verslaafd was ik eigenlijk geweest? Hoe had het er zo geniepig in kunnen sluipen? Door het vacuüm zag ik ineens allerlei onaangename zaken, die ik gewoonlijk placht te verdoezelen of te verdoven met de nooit aflatende digitale ruis.

Ik voelde me eenzaam, klein, hulpeloos. De muren van mijn huis omsloten me in onverschilligheid. Zelfs de ramen met hun fraaie uitzicht konden me niet bekoren. Nee, ik verlangde naar flikkerende beelden, nieuwsupdates en feeds van sociale media op mijn blinkende computerscherm. Ik miste de kick van het veroveren en jagen op het ongekende en het nieuwe. Wat te doen als er niks viel uit te pluizen, op te zoeken of binnen te slepen?

Daar ik noch een smartphone noch tv heb, toog ik halverwege de week maar naar de OBA om toch te proberen uit mijn isolement te raken, of op zijn minst wat verstrooiing te vinden. In het kwartier dat ik gebruik kon maken van een publieke computer, scande ik email- en Facebookberichten, gaf korte antwoorden op urgente vragen en zette, met pijn in mijn hart, online, dat ik tot nader bericht voorlopig niet online zou zijn. Bij de romanafdeling leende ik een kloek boek van Haruki Murakami.

Zonder internet stofte ik ook oude vaardigheden af, waaronder de edele, en bijna verloren kunst van het telefoneren. Het was onwennig, maar uiterst waardevol om op meer directe manieren met mensen te communiceren. Achterstallige plannen werden uitgevoerd. Ik ging eindelijk de boer op met flyers en nodigde eindelijk die aardige jongen uit bij me te komen eten.

Al met al bracht mijn internetloze tijd me meer verdieping en focus. Mocht ik nog willen ontkennen hoe ik nou echt mijn leventje slijt, dan was er even geen ontkomen meer aan de waarheid. Daarnaast groeide mijn dankbaarheid: voor mijn gezondheid, mijn relatieve welvaart en aanverwante luxeproblemen, en vooral voor al mijn lieve vrienden, in real life, van vlees en bloed.

Zelden las ik zo onverstoord een boek van 900 bladzijdes in een paar dagen bijna uit. Bijna, want bij het omslaan van het voorlaatste hoofdstuk, keerde toch, na een volle week, mijn internetverbinding met een droge klik, terug.

offlineDeze tekst werd voorgelezen op zaterdag 10 oktober 2015 binnen aflevering 27 van het radioprogramma Kulti Kulti (in de rubriek “Moedig Voorwaarts”)