Alle berichten door robertweijers

Radiomaker en (audio)columnist

Malebu

Geen zomer zonder zomerhit. Je hoort een liedje en raakt overrompeld. Je weet vrijwel meteen dat dit ‘m is. Je hoeft het niet te analyseren of af te wegen. Wat je smaak ook mag zijn, je zomerhit is meestal onmiskenbaar. Je kunt er niet onderuit. Mijn persoonlijke bevlieging voor zomer 2021 is de nieuwe single van Conchita Wurst, getiteld Malebu.

Hoewel (nog) geen hit in enige parade, was mijn favoriet duidelijk toen ik de videoclip zag. Malebu, gespeld met een E in plaats van een I is net zo fluïde als Tom Neuwirths immer evoluerende alter ego. Zoals alles altijd net ietsje anders is in de wondere wereld van La Wurst.

Sinds de overwinning op het Songfestival van 2014 met Rise Like A Phoenix is er veel veranderd. Conchita ging van power ballads naar symfonisch naar hoekige electropop naar zwoele zomerklanken, en liet zien meer te zijn dan “de vrouw met de baard”. De iconische look waar ze het grote publiek mee wist te bereiken, wierp ze meerdere malen van zich af, om deze vervolgens opnieuw uit te vinden. Ze heeft daarmee het statische stereotype van de drag queen overstegen door feminiene en masculiene elementen naar believen te benadrukken of te laten voor wat ze zijn.

In de clip zien we Conchita zonder pruik en zonder al te veel make-up. De set bestaat uit niet veel meer dan een gekleurde achtergrond en wat zomerse attributen als rolschaatsen en waterijsjes. Het spektakel komt puur en simpel van Conchita zelf: de twinkelende ogen, het geknoei met eten, de aanstekelijke vrolijkheid van iemand die zichzelf vooral niet te serieus neemt.

Malebu geeft hoop op een zomer met wat minder zorgen. Conchita toont ons hoe: door het beste te maken van wat we hebben en zonder reserves of gêne alle kanten van onszelf te vieren.

[Deze tekst is ook te beluisteren: HIER, binnen aflevering 93 van LGBT+ Radioshow Kulti Kulti, uitgezonden: zaterdag 12 juni 2021]

Little g(r)ay cells

Het is nu 100 jaar geleden dat Agatha Christie haar eerste detective-roman publiceerde: The Mysterious Affair at Styles, met daarin de illustere superspeurder Hercule Poirot. Een eeuw later is er een nog immer geliefd en gevierd oeuvre van tientallen romans en vele verhalenbundels en toneelstukken, dat zich ook nog eens leent voor talloze adaptaties en analyses.

Vanaf mijn puberteit kreeg ik zelf de smaak te pakken en verzamelde ik de bontgekleurde pocketserie. In een tijd dat ik gepest werd op school vanwege mijn afwijkende, in de ogen van de anderen niet genoeg masculiene gedrag, vond ik een toevluchtsoord in Agatha Christies spannende verhalen over moord en misleiding. Als in een trance liet ik me meevoeren met de ingenieuze plotwendingen, en leken mijn dagelijkse zorgen even ver weg. Het was minstens zo verslavend als Engelse drop, maar dan zonder misselijkheid, en hooguit soms een wat verkorte nachtrust.

Het personage van Hercule Poirot sprak me buitengewoon aan, vanwege zijn weergaloos scherpe geest maar toch ook omdat hij een dandy was, een excentriekeling en, als Belgische vluchteling op Britse grond, ook een ultieme buitenstaander. Hoewel ik nergens het idee kreeg dat hij gay zou zijn, was hij zeker queer te noemen, en wat dat betreft een rolmodel.

In de loop der jaren ben ik ook veel homoseksuele fans van Agatha Christie tegengekomen: al flirtend in de Reguliersdwarsstraat met een jongen uit Manchester, die alle titels en personages nog beter op een rij had dan ik, en in Londen, waar ik samen met een ex-geliefde ooit het toneelstuk The Mousetrap bezocht.

Agatha Christie blijkt ook een dankbaar onderwerp te zijn voor academisch onderzoek. Zo heeft de auteur J.C. Bernthal, vanuit queer theory gepoogd een analyse te maken. Hij bestudeert hierin onder meer hoe identiteit in de teksten geconstrueerd wordt en bevraagt normativiteit.

Hoewel Christies werk vaak afgedaan wordt als lectuur, is het door het ironisch gebruik van theatraliteit verre van eendimensionaal. Aan de ene kant wordt het werk gekenmerkt door clichés en stereotypen, aan de andere kant worden deze juist ontkracht doordat niks is wat het lijkt, binnen het genre van de whodunnit.

Er duikt een handjevol gay karakters op (vaak feminiene, wat onheilspellende mannen met lang haar en een passie voor design), maar iedere verdenking op basis van een vooroordeel blijkt een afleidingsmanoeuvre te zijn, ballast bij het vinden van de dader. En wat te denken van een personage als Christopher Wren (De muizeval en andere verhalen), die openlijk zijn liefde voor aantrekkelijke mannen betuigt, maar tevens een oorlogsveteraan is?

Ontroerend vind ik het koppel Hinchcliffe en Murgatroyd (Wie adverteert een moord!), twee dames die samenwonen in een dorpje, niet veel op lijken te hebben met mannen, en zonder expliciete details duidelijk hevig op elkaar gesteld blijken te zijn..

Hoe heerlijk is het niet in deze onzekere tijd, te ervaren hoe een wirwar van puzzelstukjes steevast op de laatste paar bladzijdes op onnavolgbare wijze op de plek valt?

Naast dat ik de laatste tijd mijn pockets opzoek en herlees, luister ik daarbij ook naar de All About Agatha podcast, waarin met de maatschappelijke context van toen, het engagement van nu, en een soms ronduit roze blik alle romans besproken en uitgediept worden.

[Deze tekst is ook te beluisteren: HIER, binnen aflevering 91 van LGBT+ Radioshow Kulti Kulti, uitgezonden: zaterdag 10 april 2021]

It’s a Sin

Terwijl de sneeuw en de avondklok Nederland verstillen, zoek ik mijn toevlucht in het bekijken van de nieuwe Britse miniserie “It’s a Sin”. Ik vind hierin niet de gewenste ontsnapping, maar eerder een onverwachte blik in de spiegel.

“It’s a Sin”, gemaakt door Russell T Davies, de man achter onder meer het fameuze “Queer As Folk”, handelt over een groepje voornamelijk homoseksuele jongeren, dat hun weg probeert te vinden in het Londen van de jaren ’80 ten tijde van de aids-crisis. Hoewel geproduceerd net voor de Covid-lockdown, resoneert de verbeelding van de eerdere epidemie in bijzondere mate met de realiteit van de huidige pandemie.

Met een zekere jaloezie bezie ik de luchtige beginbeelden van een bruisend en onbezorgd nacht- en seksleven. Het tintelende zelfvertrouwen en het zinderende genot spatten ervan af. Ik raak vertederd door de speelse gewoonte van de hoofdrolspelers en nieuwe huisgenoten om elkaar steeds te begroeten met “Laaa!”.

De intrede van aids gooit echter roet in het eten, op pijnlijk herkenbare en actuele manieren.

Zo steekt Ritchie, gespeeld door Years & Years-zanger Olly Alexander, zijn kop veelvuldig in het zand: negeert de feiten, wentelt zich in samenzweringstheorieën en loopt letterlijk weg bij een test.

Zo belichaamt het personage Jill, met haar rubberen afwashandschoenen de paranoia van het proberen om te gaan met iets waarvan je niet weet wat het is, hoe het werkt en hoelang het nog zal voortduren.

Ontluisterend zijn de verschillende vormen van decorumverlies: bij Collin, de verlegen jongen die door infecties in zijn hersenen, zijn waardigheid kwijtraakt, bij Ritchie, die wanhopig vrijpostig wordt bij het ontmoeten van een oude vlam, en bij Ritchies ouders, die stampvoetend verwijten lopen te maken in het ziekenhuis.

De redeloosheid en radeloosheid worden krachtig neergezet. Schuld en schaamte vloeien als een giftige cocktail door de dialogen heen. Aan de andere kant is er toch ook een lichte troost van de jaren ’80 pophits, de hilarische bijrol van Stephen Fry, en de vriendschap en steun van een gekozen familie.

Al met al zeer confronterend, maar zeker het bekijken waard!

[Deze tekst is ook te beluisteren: HIER, binnen aflevering 89 van LGBT+ Radioshow Kulti Kulti, uitgezonden: zaterdag 13 februari 2021]

Met andere ogen

Met andere ogen kijk ik naar mezelf.

Op de cadans van de coronagolven, heb ik de voorbije zomerhitte aangegrepen als seizoen van verkenning en planning.

In de luwte ben ik gaan graven en spitten.

Wat zou ik nog kunnen doen voor het weer verboden zou zijn? Wat zou een aanzienlijke verbetering betekenen? Waar lag mijn ultieme buitenkans?

Ik keek in de spiegel, en wist het.

Ik dacht aan Michael Jackson en aan diens adembenemende transformatiekunst. Ik herinnerde me hoe hij voor mij de schoonheid benaderde van farao’s en goden.

Ik zag mezelf terug als jongen op de basisschool, met mijn spreekbeurt over de magie van de plastische chirurgie.

Mijn lang verwenste wallen zouden eindelijk moeten gaan wijken. Als de Grimburgwal zouden alle overtollige vetcellen verdwijnen in een sinkhole. En als ik dan toch bezig was, zou ik ook meteen de bovenoogleden van oudezijds naar nieuwezijds laten veranderen.

Eind september, zondagochtend om half 8, begaf ik me te voet naar de zorgvuldig uitverkoren kliniek.

Op mijn weg trotseerde ik nog eenmaal alle twijfel: de beteuterde blik van die vriend, toen ik zei wat ik van plan was, mijn middelbare leeftijd en onmacht daarover, mijn narcistische persoonlijkheidsproblematiek, mijn kinderlijke waangedachten en eenzaamheid.

Wie dacht ik eigenlijk dat ik was? Was ik niet gewoon een laffe masochist, die een ander geld betaalde om zich te laten verminken? Was ik niet totaal van het pad af, nu de enige man die me aan zou gaan raken sinds maanden, dat met een vlijmscherp scalpel zou doen?

Er kwam een rust over me toen de operatie begon. De arts, die naast dat hij precies begreep wat me in de spiegel stoorde, en ook een geschikte oplossing daarvoor aanbood, had de betreffende ingreep prachtig in zijn vingers, en wist me er op een prettige en vakkundige manier doorheen te loodsen.

Ik gaf me totaal aan hem over, en daarna aan het grillige helingsproces.

Dagenlang gutste het wondvocht en bloed uit mijn ooghoeken. Mijn wangen waren alle kleuren van de regenboog. Mijn ogen waren door de zwelling gereduceerd tot spleetjes. Ik zou nou eenmaal voor onbepaalde tijd een monster moeten zijn om later eventueel mooi te kunnen worden.

Hoe vertroebeld mijn blik ook was, mijn intenties bleken uiteindelijk kristalhelder in mijn isolement. Ik kon niet fronsen, maar wel lachen om mijn zelfverkozen lot.

Ik had dit immers niet voor iemand anders gedaan, noch uit de ijdele hoop op bewondering, goedkeuring of geluk. Ik deed het puur voor het cosmetische effect, en puur voor mezelf.

Gek genoeg voel ik me hierdoor nu, hoewel mensen zeggen dat ik er jonger uitzie, juist voor het eerst een beetje volwassen.

[Deze tekst is ook te beluisteren: HIER, binnen aflevering 87 van LGBT+ Radioshow Kulti Kulti, uitgezonden: zaterdag 12 december 2020]

The Boys In The Band

Ik moet achter in de 20 zijn geweest, toen ik voor het eerst de op het gelijknamige toneelstuk gebaseerde film The Boys In The Band (1970) zag. De film verhaalt van een verjaardagsfeestje in New York, waar 7 homoseksuele vrienden elkaar ontmoeten. Een onverwachte gast en een homofobe uitbarsting, zetten het drama op scherp. Toentertijd was ik verbaasd door het wat ouwelijke gedrag van de opgevoerde dertigers, maar vooral ook geschokt door de bijzonder vernederende en kwetsende opmerkingen waarmee de verschillende personages elkaar wisten te fileren.

Vanwege een nieuwe versie, die onlangs verscheen op Netflix, toog ik naar mijn favoriete thuisbioscoop om zowel de oorspronkelijke als de 2020-versie te bekijken. Nu ik zelf een veertiger ben, kijk ik met andere ogen naar het origineel. Het over en weer uitwisselen van beledigingen, kan ik nu beter plaatsen in de historische context van Amerika in 1968, waar het zich afspeelt. Homo zijn pre-Stonewall was een hachelijk en wanhopig bestaan. Het luchtige begin van de film is slechts geraffineerde afleiding. De vrienden zijn stuk voor stuk als katten in het nauw, en als ze elkaar onderling emotioneel te dicht naderen maken ze rare sprongen, en halen onverbiddelijk naar elkaar uit. Ze zijn niet zomaar bitchy, ze herkennen elkaars afweermechanismen en vallen elkaar aan omdat ze zich geen raad weten met zichzelf. De grimmige motor van het verhaal blijkt onversneden zelfhaat.

De nieuwe versie stelt helaas teleur omdat deze weinig toevoegt aan de eerdere opzet. Het zijn dezelfde dialogen in vrijwel hetzelfde decor. Het feit dat voor de huidige remake een groepje beroemde en succesvolle, openlijk homoseksuele acteurs is gevraagd, is op zich wel een emancipatoire triomf. Toch mis ik de rauwheid van het origineel, zoals bij de bezwete gezichten tijdens het gruwelijke telefoonspel. Zachary Quinto mag daarbij dan zijn uiterste best doen om Harold, de zelfverklaarde “32 year-old, ugly, pock marked Jew fairy” te spelen, toch schemert zijn bekende mooie gezicht me net iets te duidelijk onder de make-up door, om volkomen geloofwaardig te zijn.

Naar mijn smaak is alles net wat gelikter, doch wat dunnetjes overgedaan. De urgentie, die er 50 jaar geleden vanaf spatte, is nu vervlogen, maar de film is zeker een krachtig eerbetoon aan de visie van toneelschrijver Mart Crowley (1935-2020). Voor de geschiedenis en voor nieuwe generaties is het schitterend dat deze cult-klassieker nu weer in de belangstelling staat.

[Deze tekst is ook te beluisteren: HIER, binnen aflevering 85 van LGBT+ Radioshow Kulti Kulti, uitgezonden: zaterdag 10 oktober 2020]

Pride 2020

Mijmerend over Pride Amsterdam 2020, slenter ik door de Indische buurt en stuit op het veldje naast het spoor, waar spoedig een wolkenkrabber zal verrijzen. De bouwwerkzaamheden verbleken echter bij de fruitige triomf die het veldje omzoomt: sappige, fonkelende, diepzwarte bramen! Het is het bloeiende restant van wat ooit een mussenparadijs was. Als ik echter mijn oor te luister leg, hoor ik niks meer tjilpen of zingen. Waar zijn al die vogels gebleven?

Deze corona-editie van Pride Amsterdam stemt me melancholisch. Net zoals die bramen, is de tijd weer helemaal rijp voor de jaarlijkse festiviteiten, maar de LGBT+-gemeenschap zit dit jaar noodgedwongen weggestopt thuis, en is daarmee minder zichtbaar.

Onbekend maakt onbemind. Zonder zichtbaarheid immers geen communicatie, geen begrip en geen emancipatie. Los van de mogelijkheid in vrijheid helemaal jezelf te kunnen zijn op een boot, is het een cruciale functie van Pride om ook diegenen wiens stem in eigen land gesmoord wordt, te vertegenwoordigen. Het is daarom betreurenswaardig dat het zogenaamde “Monument van Zichtbaarheid”, waar de 72 vlaggen tentoongesteld zouden worden van landen waar homoseksualiteit nog steeds strafbaar is, op last van de gemeente wegens drukte niet op het Rokin te zien zal zijn.

De gedwongen stilte maakt kwetsbaren kwetsbaarder, soms zelfs vogelvrij. In het vacuüm van onbewaakte ogenblikken is de afgelopen tijd pijnlijk duidelijk geworden hoe tolerant Nederland echt is. Ik denk daarbij aan Fabio en Daniel, die bespuugd en uitgescholden werden omdat ze hand in hand door nota bene deze zelfde buurt liepen. Ik denk aan Daan die afgelopen weekend op een openluchtfeest in Noord aangevallen en geslagen werd, en bijna in het water werd gegooid omdat hij in de ogen van anderen te veel afweek. Ik denk helaas ook aan dat recente moment dat iemand mij op straat uitmaakte voor “lelijke poot”, en die akelige episode van toen een kale man me achtervolgde vanuit een uitgestorven supermarkt, en ik me, net op tijd, wist te ontworstelen aan zijn dreigende en homofobe gebrom, door die enige toevallige passant aan te klampen voor een praatje..

De politiek schiet ondertussen schrikbarend tekort. Minister Grapperhaus mag zich dan verwaardigd hebben een stukje de Reguliersdwarsstraat op te lopen met slachtoffers van anti-LGBT+-geweld, maar die hand in zijn zak, en vooral het gebrek aan concrete maatregelen, maakt het toch tot weinig meer dan een aardig cameramomentje.

Beduidend ernstiger is het geval van de gewezen voorzitter van Pride Amsterdam, Frits Huffnagel. Niemand heeft dit jaar het inclusieve imago van de Pride meer schade toegebracht dan hij, met zijn walgelijke uitspraken over vluchtelingen, die naadloos aan lijken te sluiten bij het fascistische gebral van Baudet. Het heeft me dan ook ten zeerste verbaasd dat het bestuur hem zolang de hand boven het hoofd heeft gehouden, en zich pas gewonnen gaf toen bijna 100 organisaties aandrongen op zijn vertrek.

Om niet af te glijden in cynisme en bitterheid, vervolg ik mijn wandeling richting het einde van de Czaar Peterstraat, en vraag me af wat ik kan doen om iets positiefs bij te dragen tijdens deze Pride. De verfspatten op de bovenkant van de brug lachen me, bij het achterom kijken, zeer subtiel doch onmiskenbaar toe: rood, oranje, geel, groen, blauw, paars! Toch maar eindelijk eens lid worden van het COC? Een grote vlag kopen en die fier in de wind laten wapperen buiten mijn raam? Extra LGBT+-kunstenaars en -initiatieven steunen? Allemaal goed, genoeg te doen!

Fijne Pride, iedereen!

Waarachtig

Wat is waarheid? Ik kijk met fascinatie naar de Netflix-miniserie Hollywood, en verzand in verwarring.. Het door Ryan Murphy en Ian Brennan geschetste gouden Hollywood van net na de Tweede Wereldoorlog is immers realistisch in stijl en toon, doch fictief in de plotontwikkeling. Ik wil als toeschouwer mijn ongeloof opschorten en aannemen dat het, zoals de serie beweert, toen al wèl mogelijk was om ruimte te scheppen voor meer diversiteit en inclusiviteit in de filmbranche, maar de werkelijke geschiedenis speelt me parten. De serie roept veel vragen op. Was acteur Rock Hudson echt zo’n sulletje? Waren er toen echt niet-witte en LGBT+ filmmakers die een lans braken, en nog een Oscar wisten te winnen ook? Nee! Ik weet het, en dat schuurt. Nee, het schrijnt.

Helaas weet ik ook te veel van Freddie Mercury om de biopic Bohemian Rhapsody ten volle te kunnen waarderen. Hoewel ik besef dat het voor nieuwelingen een prachtige introductie kan zijn, struikel ik over de feitelijke discrepanties. Oe toch, dat drama, dat maakte dat Freddie in één dag zijn hiv-diagnose kreeg, uit de kast kwam tegenover zijn ouders, en daarna ook nog even optrad op Live Aid! Oe toch, die scène waarin Freddie spijt betuigt van zijn decadente en eenzame homoseksuele levensstijl en zijn bandleden smeekt hem terug te nemen! Een leek zou acteur Rami Malek in zijn rol van Freddie op zijn blauwe ogen geloven.. ware het niet dat Freddie in het echt schitterende bruine ogen had!

Zo zijn er meer in het oog springende valse details binnen vergelijkbare biografische verfilmingen. Zo is daar, onterecht, het sociaal ongemakkelijke stereotype waarmee computergenie Alan Turing wordt uitgebeeld in The Imitation Game, en wordt er in Stonewall een niet-bestaande cisgender witte jongeman als grote held opgevoerd. Het mag dan weliswaar de verhalen voor een groter publiek meer invoelbaar en verkoopbaar maken, toch klopt het van geen kant.

Ik merk dat hoe nader de feiten mij persoonlijk raken, hoe puristischer en onverdraagzamer ik word ten opzichte van de fantasie: “Maar zo wàs het niet!” Het summum hiervan heb ik mogen smaken toen ik ooit muze bleek, in de literatuur, de pulplectuur en het cabaret. Een paar maal heb ik de dubieuze eer gehad mezelf weerspiegelt te zien in de verbeelding van anderen, als bijpersonage, als antagonist, en als lachwekkende karikatuur. Heerlijk toch, die Schone Kunsten! Maar je moet er toch wel even wat schaamte en woede voor verbijten, om het louter op de artistieke waarde te kunnen beoordelen.

Zelf heb ik ook genoeg boter op mijn hoofd, wat dit betreft. In mijn columns doe ik immers niet anders: ik laat weg, combineer en cureer mijn observaties ten dienste van het verhaal wat ik wil vertellen. Ook ik bedien me van leugens om mijn subjectieve waarheid kracht bij te zetten.

Misschien is het voor mij nog het moeilijkst te verteren dat “de werkelijkheid” niet bestaat, en dat de geschiedenis doorgaans het verzamelde broddelwerk blijkt van de mensen met toevallig de meest elegante, welgevallige of plausibele uitvluchten. Daarbij is niets onomstotelijk, en is alles slechts waar-àchtig.

[Deze tekst is ook te beluisteren: HIER, binnen aflevering 84 van LGBT+ Radioshow Kulti Kulti, uitgezonden: zaterdag 11 juli 2020]

Detail van “La Verité” (1870) van Jules Joseph Lefebvre

Zwabber

Een zonnige maandagmiddag. Ik loop schoorvoetend door de Indische buurt van Amsterdam. Na maanden van louter hoogst noodzakelijke winkelbezoekjes, overweeg ik nu toch eens wat te laten doen aan die zwabber op mijn hoofd. Hoelang was mijn laatste vakkundige knipbeurt ook weer geleden? Oei, was dat niet net voor de kerst? Mijn tussentijdse poging tot temmen en fatsoeneren ten spijt, is mijn haardos nu echt een vormeloze bos geworden.

Dan stap ik de eerste de beste barbershop binnen, en twijfel meteen zodra ik de drempel ben gepasseerd. Naast schaamte over mijn verwaarloosde coupe, vrees ik afwijzing, protocollaire rompslomp en een nieuwe angstaanval, zoals ik die laatst in de Action had, toen een oudere dame ontstellend dichtbij me kwam staan.

Aha. De barbershop blijkt niet druk. Sterker nog: ik mag direct plaats nemen! De kapper, een veertiger met een schitterende grijze kuif, komt dadelijk ter zake, en vraagt wat ik wil. Tja.. Er borrelen spontaan allerlei wensen op, maar ik zeg maar dat ik het van achter en aan de zijkanten flink kort wil, en boven langer.

Het moment dat hij aanvangt met zijn kapkunsten heeft wat plechtigs, alsof hij het lint van anderhalve meter rondom mijn huidhonger doorknipt. Deze man, wiens naam ik niet weet, wiens gezicht ik alleen maar gedeeltelijk kan zien, is immers de eerste mens sinds 3 maanden die me aanraakt.

Even ben ik bang dat ik het niet aan zal kunnen, dat zijn aanraking me zal overweldigen. Zijn zachte blik en doeltreffende handen weten me echter gerust te stellen. Geen paniek, maar eerder ontroering valt me ten deel.

De kapper moedigt niet aan tot een gesprek, maar lijkt op te gaan in het snoeien en het stileren. Hij doet me aan Tan France van de serie Queer Eye denken, maar ik hou het voor me.

Waar sommige kappers ietwat bruusk je hoofd in verschillende posities duwen, ofwel kortaf eisen dat je naar voor of achter buigt, weet hij me vloeiend en zonder weerstand te krijgen waar hij me hebben wil. Misschien gaat het wat te ver om te beweren dat we elkaar perfect aanvoelen, maar zo lijkt het even wel te zijn. Het is niet erotisch, maar in alle verstilling juist meditatief, en onmiskenbaar teder..

Als op wolken loop ik daarna terug naar huis. Precies wat ik nodig had.

[Deze tekst is ook te beluisteren: HIER, binnen aflevering 83 van LGBT+ Radioshow Kulti Kulti, uitgezonden: zaterdag 13 juni 2020]

Paul Haenen

Kent u de uitdrukking “kent u die uitdrukking”?

Het zijn de gevleugelde woorden van dominee Gremdaat, alter ego van tv-maker, cabaretier, (stem)acteur, toneelschrijver en journalist Paul Haenen (1946), die momenteel dagelijks via verschillende kanalen Troost TV de wereld instuurt.

Ogenschijnlijk moeiteloos improviseert hij rechtstreeks vanuit het Betty Asfalt Complex urenlange uitzendingen aan elkaar. Zijn kenmerkende relativerende humor en oprechte interesse in de mensen die hij interviewt, zijn daarin als een balsem voor deze wankelmoedige tijd.

Daarnaast is er nu ook van zijn hand “Ik heb bekend – dagboeken 1958-1965” verschenen, ten onrechte wat ondergesneeuwd door de huidige crisis. In deze bundel leren we Paul Haenen kennen vanaf de vele bladzijdes uit zijn puberdagboeken, en zijn we deelgenoot van zijn persoonlijke ontwikkeling tussen zijn 12de en 19de levensjaar.

Het heeft iets voyeuristisch om een dagboek te lezen, omdat we immers iets lezen wat nooit bedoeld is om door derden gelezen te worden. Tegelijkertijd is het fascinerend en meeslepend om iemands intieme denkwereld met iedere bladzijde te zien groeien.

De jonge Paul Haenen doet verslag van diens woelige gezinsleven, met zijn krenterige vader en pleinvrezende moeder, en de perikelen op school, maar minstens zo interessant is wat hij niet durft op te schrijven. Hoewel de toon doorgaans voortvarend en monter is, proef je als lezer tussen de regels door de pijn van een buitenstaander.

Het dagboek laat zien hoe hij omgaat met de ruzies binnen zijn familie. In plaats van er schande van te spreken of over te klagen, schetst hij de conflicten alsof het sappige verhaaltjes in een sensatieblad zijn. Het is opwindend zo de kiem van zijn latere toneelwerk en hilarische sketches te zien in zijn talent om het alledaagse dramatisch uit te vergroten.

Het dagboek blijkt ook een broodnodig hulpmiddel te zijn om zijn eenzaamheid te onderkennen en mogelijk te overwinnen. Hoezeer deze eenzaamheid verbonden is met zijn ontdekking homoseksueel te zijn, blijkt naarmate het dagboek vordert.

Voor menig LGBT+’er zal het pijnlijk herkenbaar zijn: het gevoel er niet bij te horen, de twijfel, en het hunkeren naar vriendschap. Daarna het compensatiegedrag: de ambitie van Paul om zich te mengen in het debat over de publieke omroep door middel van ingezonden brieven, zijn amechtig pogen om populair te worden en uit te blinken.

In het nawoord, een verhelderend interview, blijkt dat het allemaal uiteindelijk meer dan goed is gekomen. Paul Haenen vond zijn geliefde, Dammie van Geest, en niet veel later ook zijn creatieve draai en authentieke stijl, in het midden van de jaren ’70.

Persoonlijk zal ik altijd schatplichtig zijn aan Pauls werk, maar ook zijn strijdlust en moed. Nog zie ik mezelf zitten in het tv-publiek van Haenen voor de nacht in 1993, toen ik 17 was, en mijn eigen dagboekje bijhield. Ik zat nog in de kast, en was minstens zo eenzaam, en zeker zo ambitieus. Niet lang daarvoor had een klasgenootje me Paul Haenens roman “Wacht maar jongen” toegespeeld, met de opmerking dat het “echt iets voor mij” zou zijn. Ik bloosde van oor tot oor, maar waagde me toch naar de tv-opname in Amsterdam, voor het eerst bewust te midden van allerlei gevoelsgenoten die in alle vrijheid zichzelf durfden te zijn.

In de 27 jaar die volgden, ben ik, met tussenpozen, steeds weer teruggekomen. Paul optredens, voorstellingen, video’s en nu ook zijn Betty Asfalt TV, voelen als een warm bad, vertrouwd en geborgen. Met dominee Gremdaat weet hij zich de laatste tijd ook nog eens te vernieuwen met de geruststellende en optimistische dagafsluitingen op Youtube, net voor het slapengaan.

Op de vraag van mijn moeder of ik soms op jongens viel, moest ik, toen ik 17 was, het antwoord vooralsnog schuldig blijven. Maar wat ik wel met haar durfde te delen was dat ik Paul Haenen heel fantastisch vond!

En zo is het gebleven. “Met spekjes, of wat dan ook, daarin..”

[Deze tekst is ook te beluisteren: HIER, als onderdeel van een eerbetoon aan Paul Haenen, binnen aflevering 81 van LGBT+ Radioshow Kulti Kulti, uitgezonden: zaterdag 11 april 2020]

Isolatie

Terwijl buiten de natuur explodeert, lijkt de mensheid binnenshuis langzaam weg te kwijnen en te imploderen.

De afgelopen weken waren vervreemdend en beklemmend. De zogenaamde intelligente lockdown heeft bij velen geleid tot een gestage emotionele verwijdering.

Als zelfverklaarde introverte hoogsensitieveling zou dit een kolfje naar mijn hand moeten zijn. Hoewel ik dankbaar ben voor het dak boven mijn hoofd en de gepriviligeerde positie waar ik me in bevind, breekt deze isolatie me toch op.

Een maand geleden openbaarde de huidhonger zich aan me, en nestelde zich diep in mijn wezen. Wat ik ooit ervoer als een heilzaam, zelfgekozen semi-kluizenaarschap (“Ik heb nou eenmaal veel tijd alleen nodig om dingen te verwerken”) is verworden tot een gedwongen ballingschap.

Het schrijnende gemis nadat ik een vriend van een afstand gedag heb moeten zeggen, voelt als koffie zonder cafeïne. Het mag dan een beetje hetzelfde smaken, het opwekkende effect blijft uit.

Wat doet het met een mens als je voor onbepaalde, zeker lange tijd, onaanraakbaar bent verklaard? Het is bekend dat babies sterven bij gebrek aan huidcontact, maar wat gebeurt er met mensen van oudere of middelbare leeftijd in dit geval?

Het lijkt erop dat we ons massaal proberen zoet te houden met surrogaat. Bij gebrek aan hetgeen we eigenlijk verlangen, maar iets aangrijpen wat er enigszins bij in de buurt komt, maar wat ons toch niet vervult.

Verslavingen verdiepen zich of breiden zich nu uit. Depressie en angsten laaien op. Met moeite verworven psychisch evenwicht raakt verstoord.

Van de week stortte mijn persoonlijke kaartenhuis van surrogaten even in, toen mijn internetverbinding ’s avonds laat het begaf. Weg sociale media als vervanging voor fysiek contact. Weg oeverloos escapisme van de boze naar de fantasiewereld. Weg Netflix. Weg snelle porno.

Toen ik me naar de router in de meterkast op de gang spoedde, trof ik daar de buurman, die precies hetzelfde probleem bleek te hebben. Vertwijfeld keken we elkaar aan. Wat nu? En bovendien: was er wel anderhalve meter afstand tussen ons in?

Niet veel later schoot ik mijn jas aan en begaf me toen maar op straat, richting nachtwinkel, terwijl ik donders goed wist dat ik daar niet zou vinden wat ik zocht.

Ik weet inmiddels niet meer zo goed of ik nu banger ben voor andere mensen of voor mezelf..

[Deze tekst is ook te beluisteren: HIER, in de rubriek “Moedig Voorwaarts”, binnen aflevering 81 van LGBT+ Radioshow Kulti Kulti, uitgezonden: zaterdag 11 april 2020]