Gaslicht

Gaslighting. Het is een illuster psychologisch fenomeen, met een tot de verbeelding sprekende naam, die tot nu toe nog niet goed in het Nederlands is vertaald. CNN suggereerde onlangs dat Donald Trump zich er schuldig aan zou maken.  Trump-supporters, op hun beurt, verwijten veel media hetzelfde te doen. Het verschijnsel is echter breder en nabijer, heb ik vorig jaar tot mijn spijt moeten ervaren..

Gaslighting behelst het moedwillig verdraaien en vertroebelen van informatie, met als doel de ander te laten twijfelen over de eigen waarneming. Het is een vorm van geestelijk misbruik, vernoemd naar de film Gas Light (1944), waarin Paula (gespeeld door Ingrid Bergman) ten prooi valt aan een vernuftig en sadistisch spel van leugen en bedrog. In de film zien we hoe haar man haar tot de rand van de waanzin weet te drijven door simpelweg een broche en schilderijen uit het huis te laten verdwijnen, om vervolgens stellig te beweren dat dit allemaal door haar toedoen moet zijn gebeurd. Doordat Paula zich niks kan herinneren, noch een logische verklaring kan vinden voor de vreemde gebeurtenissen, wordt bij haar de angst aangewakkerd dat ze gek aan het worden is.

Zelf was ik letterlijk met stomheid geslagen, toen mij vorig jaar iets overkwam, wat ik nu toch wel onmiskenbaar gaslighting mag noemen. Mijn buur, die een aangrenzende deur had, en gebruik maakte van dezelfde trap en voordeur, had steeds meer de neiging het trappenhuis op te gaan, als er andere bewoners in en uit het gebouw gingen. Hoewel een beetje merkwaardig, zocht ik er niks achter, tot ik op een dag achtervolgd werd op de trap, zowat naar beneden gejaagd, en een lichte schop na kreeg. Ik was zo perplex dat ik op het moment niet reageerde, maar nam me voor hier mogelijk later toch op terug te komen.

Toen ik later weer geschopt werd, sprak ik mijn buur hierop aan. Diens antwoord bracht me van mijn stuk. Waar had ik het over? Schoppen? Hoe verzon ik het? Pats! Ik kreeg toen een klap in mijn gezicht, en nog meer ontkenning. Nee, hij verzekerde me dat er niks mis was, dat we goede buren waren, en in het gezicht slaan, waar haalde ik dat vandaan? Zou die nooit doen. Zou me nog eerder kussen.. Waarom was ik dan ineens zo van streek? Pets! Een snelle slag op mijn kin.  En meteen nadat ik hem daar weer op aansprak, inmiddels trillend van machteloosheid, beweerde hij dat ik me het verbeeldde en dat er iets niet goed met me was. Was ik misschien overspannen?

Maandenlang leefde ik met de angst voor wat er verder nog zou kunnen gebeuren. Er kwamen nog meer lichte klappen en schoppen, die ik met steeds grotere woede beantwoordde. Zijn ontkenning bleef onveranderd. Ik schakelde instanties in, die een vinger aan de pols hielden, maar verder weinig konden uitrichten. Het gekke was dat ik niet zozeer de tikken vreesde, maar vooral de grillige gespletenheid en het onwerkelijke van zijn hele gedrag. Als ik aan anderen uit probeerde te leggen wat er aan de hand was, kon ik me voorstellen dat het ongeloofwaardig moest klinken. Nachten heb ik wakker gelegen en me allerhande onmogelijke vragen gesteld..

Op een dag hoorde ik een andere buurman schreeuwen vanuit het trappenhuis. Mijn haren gingen overeind staan. Ik hoorde een vertwijfeling die ik maar al te goed kende. De politie kwam erbij, en daarmee werd het meer dan enkel mijn woord tegenover dat van mijn buur. Ik stond niet meer alleen, en voelde ook een opluchting “toch niet gek” te zijn. Sindsdien weinig meer vernomen van mijn buur. De rust lijkt teruggekeerd, de boze droom voorbij.

Al met al heeft deze toestand me wel alerter gemaakt. Ik merk dat ik sneller aansla als ik een politicus glashard zie liegen. Ik merk dat ik huiver als ik feitelijke waarheden weggevaagd zie worden , en word kwaad als ik merk dat ik niet helemaal immuun blijk voor de manipulatie van blaaskaken en windbuilen.

gaslicht

Deze tekst werd zaterdag 14 januari 2017 voorgelezen in het kader van de rubriek “Moedig Voorwaarts” binnen aflevering 42 van het radioprogramma Kulti Kulti.

Gay & Lesbian Studies

De ideale studie bestaat niet. Begin deze eeuw moest ik, als derdejaars student Engelse letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam, deze waarheid onder ogen zien. Kon ik niet beter ten halve keren dan ten hele dwalen? Ik voelde me te weinig uitgedaagd, was teleurgesteld door de vele saaie verplichte blokken, en afgeknapt op het schoolse karakter van de opleiding. Moest ik nog wel door?

Gelukkig was ik niet alleen in mijn impasse. Met een lesbisch studievriendinnetje kon ik na de colleges, vaak onder het genot van een iets te duur broodje, voluit klagen en spuien, maar ook lachen en plannen smeden. Gesterkt door de band die was ontstaan doordat we elkaar hadden leren kennen toen we allebei problemen hadden in de liefde, besloten we samen door te gaan tot het bittere einde van onze voorgenomen studie. Weg met de quarter-life crisis, weg met het liefdesverdriet en weg met de twijfel!

Om het voor onszelf boeiender te maken, zochten we buiten de faculteit om naar alternatieve cursussen, die de vrije studieruimte konden opvullen. In het oog sprong meteen Gay & Lesbian Studies. Het voelde gelijk als een spannend avontuur: op zo’n heel andere faculteit, te midden van internationale studenten, ons verdiepen in iets wat ons bijzonder nauw aan het hart ging, onze seksualiteit. Persoonlijk was het ook een kroon op mijn coming-out, een overwinning op die duistere periode waarin ik gepest werd en sudderde in zelfhaat.

Hoofddocent was een licht grijzende oudere homoman, met een bijzondere dictie, waarin zowel Gronings alsook iets deftigs doorklonk. Hij was gekleed in een glimmend sportpak en heette Gert Hekma. Samen met wat gastdocenten zou hij ons door dit trimester loodsen, en wegwijs maken in queer theory, Foucault, Sedgwick en Butler. Het vuistdikke pak papier dat we als reader dienden te bestuderen loog er niet om. Dit was menens!

Gert bleek een gigantische bron van kennis te zijn, of het nu over de geschiedenis van homoseksualiteit in Nederland ging of de perversies van De Sade. De details deden me soms duizelen. Tegelijk verontrustte hij me ook een beetje, als hij ons vroeg wat we vonden van controversiële zaken als pedofilie en sadomasochisme. Het gemak waarmee hij bepaalde vermeende taboes op een academische manier aan wist te snijden, fascineerde me. Had deze man nou helemaal geen schaamte? Of ik juist te veel?

Naast discussies rond publicaties en de daarin vervatte theorieën, gingen we ook als groep het veld in. Onvergetelijk waren de rondleiding door de Amsterdamse rosse buurt en, niet ver verwijderd van de openstelling van het huwelijk voor homo’s en lesbo’s, het bezoek aan de Tweede Kamer. Ook was er de wekelijkse opdracht om een kijkje te nemen op een homo- of lesbo-gerelateerde plek naar keuze, en daar verslag van te doen.

Het was daar, dat ik koos om mijn grenzen te verleggen. Ik mocht dan beweerd hebben dat een darkroom niks voor mij was, maar hoe kon ik dat zo zeker weten als ik het nooit had geprobeerd? En wat te denken van de homosauna? Kom op! Ik herinner me nog hoe ik met knikkende knieën het pand betrad, wel 20 minuten nam om me uit te kleden, maar uiteindelijk met 7 jongens heel veel plezier had. Als ik me betrapt had gevoeld door iemand, had ik waarschijnlijk gemeesmuild dat ik het alleen maar “voor de research” deed..

Al met al is Gay & Lesbian Studies het meest ingrijpende en persoonlijke vak gebleken dat ik ooit heb gevolgd. Het was een voorrecht om met docenten en leeftijdsgenoten samen te onderzoeken wat seksuele identiteit en gender kunnen zijn, in theorie, maar ook in de meest intieme betekenis. Mijn ideeën zijn hierdoor vrijer, minder bekrompen en meer op context of introspectie gebaseerd geworden, en mijn blik is verruimd. Wat mij betreft de universiteit zoals die bedoeld is, of, om met Foucault te spreken:

“I don’t feel that it is necessary to know exactly what I am. The main interest in life and work is to become someone else that you were not in the beginning.”

gay-and-lesbian-studies

Deze tekst werd zaterdag 10 december 2016 voorgelezen in het kader van de rubriek “Moedig Voorwaarts” binnen aflevering 41 van het radioprogramma Kulti Kulti.

Genderqueer

Mijn dag verliep weerbarstig. Het was 20 november, een paar jaar geleden, dat ik, nadat de eerste tekenen van de jaarlijkse winterdepressie zich hadden laten gelden, vertwijfeld zocht naar manieren om niet opnieuw in de blubber weg te zakken.

Eerst was er een bezoek aan de huisarts. Loom kleedde ik me uit, me overgevend aan haar medische blik. Echt naakt voelde ik me echter pas toen ik haar vertelde hoe ik me werkelijk voelde. Haar empathie ontroerde me, maar bleek niet meer dan een doekje voor het bloeden. Met een recept voor een stripje slaappillen verliet ik de post.

Thuis opende ik de doos van mijn daglichtlamp, en zette het met Ledjes bezaaide paneel naast me in bed. Voor het eerst waagde ik me aan lichttherapie. Het kille licht was overweldigend, prikkelend, tot niezen aan toe. Zou dit mijn redding worden, of alleen maar schele hoofdpijn geven?

Wegkijkend van het lichtbad, zag ik in mijn agenda dat die avond Transgender Remembrance Day gehouden zou worden op het Homomonument. Ach ja, ik had beloofd om dat eindelijk eens bij te wonen.. Hoeveel uur had ik nog om mezelf op te peppen daar te geraken?

Toen werd ik opgeschrikt door een telefoontje van mijn huisarts. Ze zei dat ze net nog even over me had zitten denken.. Er was haar iets te binnen geschoten, wat ze me toch nog even wilde melden. Wellicht zou het me helpen. Haar boodschap schokte me. Ze sprak een vermoeden uit over wat er eigenlijk met me aan de hand zou zijn. Volgens haar zou ik misschien het syndroom van Klinefelter hebben, een intersexe-conditie bij mannen, waarbij in de cellen ten minste één X-chromosoom extra te vinden is.

Mijn gedachten gingen ineens razendsnel. Was mijn lichaam mijn hele leven al intersex, zonder dat ik dat door had gehad? Was ik maar half de man die ik dacht te zijn? Was mijn huisarts niet gewoon kortzichtig, en verwarde ze mijn wat feminiene expressie met een genetische aandoening? Ik stond minstens zo perplex als toen de tandarts me ooit, na de deur gesloten te hebben, vroeg of ik wel eens een hiv-test had gedaan, waarschijnlijk louter ingegeven doordat ik gay overkwam.

Tijd om het internet na te pluizen op betrouwbare informatie had ik niet. Ik zou immers naar Transgender Gedenkdag. Op de fiets naar de Westermarkt, flitsten me allerlei herinneringen door het hoofd. Mijn gêne toen ik ooit betrapt werd bij het dragen van pumps.. De vraag van mijn moeder of mijn homoseksualiteit eigenlijk betekende dat ik liever een vrouw wilde zijn.. De passanten die ooit, ondanks bakkebaarden tot aan mijn kin, in mij toch een meisje zagen, en de vele keren aan de telefoon dat ik voor een mevrouw gehouden werd..

Die avond op het Homomonument zal ik nooit meer vergeten. Gure wind en striemende regen konden niet deren. Er waren veel bekende gezichten onder de sympathisanten. Het opnoemen van de namen van vermoorde transgender personen gaf me kippenvel en een mengeling van intense woede en verdriet. Wie of wat ik ook mocht zijn, ik wist me één met hen die op wat voor manier ook afwijken van de benauwende en beperkende genderclichés. Het kwam dichterbij dan ik ooit voor mogelijk had kunnen houden.

transgender-flag

Deze tekst werd zaterdag 12 november 2016 voorgelezen in het kader van de rubriek “Moedig Voorwaarts” binnen aflevering 40 van het radioprogramma Kulti Kulti.

Stressbal

Ik had me nog zó voorgenomen me niet mee te laten slepen in het mediacircus van de aanstaande Amerikaanse verkiezingen. Jammerlijk heb ik daarin weer eens gefaald. Met een sterk gezette pot Pu-Er thee, en mijn hoofdeinde in de hoogste positie, kijk ik in het holst van de nacht naar de livestream van het eerste debat tussen Trump en Clinton. Gezwicht voor de poeha, heb ik me laten gijzelen door analyses en speculaties, en volg ik iedere nieuwe ontwikkeling op de voet.

Hoewel Hillary zich monter te weer weet te stellen, gaat mijn aandacht toch meer uit naar de ploerterige Trump. Hij maakt met zijn losse flodders van opmerkingen, onbeschofte onderbrekingen en flagrante leugens, spannende reality-tv. Helaas is zijn optreden, hoewel spectaculair amusement, verre van vrijblijvend. Sterker nog: het zou wel eens een voorbode kunnen zijn van wat de wereld de komende vier jaar te wachten staat, mochten hij en zijn nare homofobe running mate verkozen worden.

Instinctief grijp ik naar mijn stressbal en knijp zo hard ik kan. Even werp ik deze van de ene naar de andere hand, en voel dan de behoefte opkomen om dwars door het beeldscherm heen te gooien. Ik hou me in, en laat de blaaskaak doorwauwelen. Waarom word ik zo kwaad? Is het omdat hij me doet denken aan die pestkoppen die me op de middelbare school het leven zuur maakten? Is het machteloosheid?

Misschien is het bovenal de brute kracht van de onderbuik, die Trump zo treffend belichaamt, die me nu zo beangstigt. Hillary mag feitelijk gelijk hebben op bijna alle fronten, op papier de meest ervaren kandidaat zijn, maar de door Trump tegen haar aangewakkerde haat zou best doorslaggevender kunnen zijn dan haar redelijkheid.

De beide kampen zijn daarbij zo losgezongen van elkaar en van de alledaagse realiteit, dat alles mogelijk is. Hoewel ik doorgaans smul van samenzweringstheorieën, en nog steeds kan lachen om de meest absurde, schrik ik van hoe verkokerd de blik van aanhangers kan zijn, en hoe bodemloos de misleidende informatie. Tegenwoordig is vaak de redenatie genoeg dat iets “hep gestaan op Feesboek”.

Nee, laat ik niet denken dat Hillary toch automatisch wel moet winnen, omdat Trump te onwaarschijnlijk lijkt. Leken de herverkiezing van George W. Bush, de uitslag van het Oekraïne-referendum en onlangs de Brexit immers ook niet zeer onwaarschijnlijk?

In één maand kan er veel gebeuren, doch over één maand zullen we het weten.. Laat ik daarom uitgaan van het ergste, hopen dat het toch nog een beetje meevalt, en in de tussentijd proberen wat beter te slapen..

stressbal

Deze tekst werd zaterdag 8 oktober 2016 voorgelezen in het kader van de rubriek “Moedig Voorwaarts” binnen aflevering 39 van het radioprogramma Kulti Kulti.

Wandeling

Het einde van deze zomer is nakende. Met gezwinde pas wurm ik me uit mijn benauwende schaduwleven, en waag me in mijn stoute, doch toch al wat afgetrapte schoeisel. Ik begeef me buiten de voordeur, en laat de serendipiteit haar werk doen. Zij zal mij brengen waar ze me brengen wil, in weerwil van wat ik misschien zelf zou willen, als ik al zou weten waar ik heen wil..

Ik dwaal deze avond door mijn geliefde Amsterdam, zonder route, zonder plan, volmaakt ongebonden. De tegels, het plaveisel, de straten en de buurten betreed ik zonder vragen. Toch hoop ik heimelijk op een verlossend antwoord, dan wel een kompas. Mocht iemand mij ontwaren, dan ben ik voorbereid om schijnbaar moeiteloos door te flaneren, alsof ik weet waar ik naartoe ga, glorieus afstevenend op de volgende kruising.

Al lopende blijk ik af te druipen richting mijn verleden. Al lopende merk ik dat ik steeds meer in mijn eerdere voetstappen treed. Mijn tocht brengt me naar een slingerende wijk net buiten de stad, waar ik ooit als jonge student op kamers ging. De bewuste doorzonwoning blijkt onveranderd kil en karakterloos. Opnieuw voel ik me enigszins verloren.

Als het daglicht langzaam verdwijnt, versnel ik mijn pas en daver ik doelloos langs de rafelranden van een stadspark. Ik ruik patchouli en voel de broeiende walm van het struikgewas, en stuit dan op een groepje mannelijke studenten dat zich waarschijnlijk middenin hun introductie bevindt. Als voortvarende passant loop ik een boogje om, maar beland daarmee juist pal tussen hen in.

Even omgeeft een dartele onschuld mij. Even ben ik het oog van een bruisende orkaan. Even dwarrelen de jongens om mij heen. Ze zijn jong, dronken en onbeholpen. Even weet ik niet hoe me hier toe te verhouden. Hun zomerse nonchalance, korte broeken en gebruinde harige benen overweldigen me. Ze stoeien, testen elkaar, langs me heen, alsof ik er niet ben.

Ik ontkom, en voel me weer een beetje die jongen die altijd als laatste gekozen wordt bij de gymles..

Op mijn zigzaggende dwarreltocht, doorkruis ik vervolgens een willekeurige woonwijk. Ik zie een supermarkt, die nog open is, en stap daar binnen, hopend op een teken.

Het blijkt echter de hoogste tijd. Voor mij rest er niet meer dan een impuls-aankoop: een zak borrelnootjes van het huismerk. In de rij voor de kassa treft mij ineens een wat gezette oudere man, die 6 halve liters bier op de lopende band voor zich heeft gelegd. Hij lijkt warempel wel op.. Hans van der Togt! Nee, het zal toch niet? Nee, hij is het niet, maar wel hetzelfde type..

Dan knipoogt hij naar me, met een blik die het midden houdt tussen flirt en verstandhouding. Ik bloos, en voel me betrapt.

Onthutst knik ik naar hem als hij me een fijne avond wenst. Is dit mijn voorland, mijn lotsbestemming?

wandeling

Deze tekst werd zaterdag 10 september 2016 voorgelezen in het kader van de rubriek “Moedig Voorwaarts” binnen aflevering 38 van het radioprogramma Kulti Kulti.

Recht van spreken

Orlando, oh Orlando.. Wat lijkt het lang geleden dat het nieuws van die aanslag op homonachtclub Pulse de wereld schokte, terwijl er nog amper een maand voorbij is. Inmiddels hebben andere ellendige gebeurtenissen de aanslag ruimschoots naar de achtergrond gedrongen. Tot mijn ontsteltenis hebben de laatste inzichten van de FBI  inzake deze moordpartij, de Nederlandse media nauwelijks bereikt. Als er nog iets opborrelt, zijn het sensatieverhalen over de daders vermeende homoseksualiteit, ofwel gebaseerd op achterhaalde berichtgeving, ofwel, zoals deze week bleek, uit de duim gezogen voor sappige clickbait.

Feitelijk weten we nog steeds bar weinig over de motieven. Nee, Mateen was waarschijnlijk geen terrorist, geen homo, en nee, het was geen crime passionnel. Wat dan wel? We zullen het wellicht nooit te weten komen, maar door het ontstane vacuüm, is juist des te schrijnender duidelijk geworden hoeveel pijn er heerst in de harten van zovelen. IS mag de aanslag hebben opgeëist, commentatoren en opiniemakers binnen de oude en nieuwe media hebben zich gestort op het afbakenen van de context. Hun claims deden me soms duizelen. Ik zag atheïsten op hun anti-religieuze stokpaardje klimmen, zag het gepsychologiseerde relaas van de zichzelf hatende homo in diverse varianten, en las vurige pleidooien tegen de wanstaltige wapenwetgeving. Dan was er Kustaw Bessems, die het gebeurde aangreep om te betogen dat het met de LHBTI-acceptatie helemaal niet zo snor zat als wel gedacht, je had Botte Jellema, die zich gekwetst toonde nadat hij gezien had hoeveel minder mensen op de Dam stonden, in vergelijking met na de aanslag op Charlie Hebdo, en dan was daar Tofik Dibi, die op zijn beurt in wenste te zoomen op de etniciteit en religiositeit van de slachtoffers.

Sinds een tijdje, ook buiten de berichtgeving over Orlando, heb ik de indruk dat er gevochten wordt in de media over welke groep nu het meeste leed treft. Ik proef verongelijktheid over het mogelijk verkeerd inschatten van wie nu het grootste slachtoffer is. De zwarte? De moslim? De homo? De vrouw? En nog belangrijker: wie heeft er het meeste recht van spreken? Het grenst aan schuld door associatie om in debatten de ander weg te zetten als intrinsiek bevooroordeeld, niet op basis van argumenten, maar op basis van iemands culturele achtergrond. Ja, het is geen overbodige luxe voor bepaalde bevoorrechte meerderheden om drastisch beter naar anderen te gaan luisteren, maar ik betwijfel of dit bespoedigd wordt door te eisen dat “sommige mensen gewoon hun bek houden”.

Ook actueel is een nieuw soort purisme. Het recht van spreken, zelfs als alles er op wijst dat de intenties goed zijn, wordt steeds vaker betwist en soms zelfs getorpedeerd. Neem de discussie rond Nick Jonas, een heteroseksuele popzanger, die hevig bekritiseerd werd omdat hij een herdenkingstoespraak had gegeven na Orlando. Niet de inhoud van zijn speech, maar het feit dat hij zelf niet homo was, vormde de kern van het misnoegen.  In Nederland hadden we vorige week een soortgelijk akkefietje, toen twee heteroseksuele TV-presentatoren zoenend op de cover van de LINDA-glossy L’HOMO verschenen. Ja, er zal zeker sprake zijn geweest van mediageilheid en commercieel opportunisme, maar het lijkt me veel te ver gaan om de cover gelijk te stellen aan blackface.

Er is zoveel pijn. Er is zoveel lijden. Er zijn zoveel mensen die zich terecht miskend, genegeerd en benadeeld voelen. Waarom doen we dit elkaar aan? Waarom maken we het nog zwaarder voor elkaar dan het al is?

“What the world needs now is love, sweet love / It’s the only thing that there’s just too little of..” Ware woorden, en helaas, nu met onder andere Orlando, Dhaka, Bagdad en Dallas, maar al te toepasselijk..

Recht van spreken

Deze tekst werd voorgelezen op zaterdag 9 juli 2016 binnen aflevering 36 van het radioprogramma Kulti Kulti (in de rubriek “Moedig Voorwaarts”)

40

Zo lang ertegenaan gehikt, maar ik heb het toch geflikt: 40 jaren oud! Puur op geluk en genade is me dit toe komen vallen. Ik ga op naar de 50, eindelijk naar het ongrijpbare middelbare.

“They say life begins at 40 / Age is just a state of mind / If all that’s true / You know that I’ve been dead for 39″ aldus John Lennon. Altijd diep ontzag gehad voor des ex-Beatles’ scherpe en wijze woorden. Des te vreemder nu ik besef dat hij nooit ouder dan 40 mocht worden.. Zijn jongste zoon Sean is hem inmiddels in leeftijd voorbijgestreefd, en is maar een half jaartje ouder dan ik nu ben.

Persoonlijke documentatie kan verhelderend en soms louterend blijken. Als ik dagboeken nasla van rond mijn 20ste, dan kijk ik op van de vastberadenheid en doelgerichtheid die daaruit spreken. Jawel, mijn leventje scheen toen ronduit maakbaar. Als ik ooit precies meende te weten wie ik was, wat ik wilde, en hoe dat te bereiken, was het toen wel.

10 jaar later, toen ik de 30 naderde, kwam daar een verwoede, soms verbeten strijdbaarheid voor in de plaats: nu of nooit! Als ik werkelijk zou afstevenen op het gevreesde existentiële debacle – mislukt te zijn op alle felbegeerde fronten rond mijn 40ste – ja, dan kon ik maar beter dood zijn.. Dacht ik toen.

Nu ik werkelijk 40 ben, voel ik meer een spijtoptant. Ik merk dat mijn maatstaven zo grijs zijn geworden als het haar bij mijn slapen. Ik kan het nog zo stoer verbloemen, maar de nuances zijn er. Het zwart-wit, alles-of-niets-denken, wat me zo eigen leek, schijnt wonderwel deels geweken.

Door vervelende complicaties aan mijn pols heb ik onlangs ook mogen proeven aan de ontberingen en het verval wat gepaard gaat met de ouderdom. Ik heb een hernieuwde waardering gekregen voor een zogenaamd normaal functionerend lichaam, dat zonder hinder kan bewegen.

Voorheen had ik het mezelf nooit vergeven als ik toe zou geven maar wat voort te sukkelen op mijn 40ste. Nu is dat niet alleen de realiteit, maar ook het beste wat ik nu eenmaal in petto schijn te hebben.. Ik accepteer het voor wat het is, zonder al te veel bitterheid of zelfverwijt. Wat maakt dat ene leven van mij eigenlijk uit?

Tegelijk is er, met het wegsmelten van eerdere wanhoop, juist meer hoop voor teruggekomen. Ben ik een mislukkeling of een laatbloeier? Het maakt niet uit, het is me steeds meer om het even. Mijn sterfelijkheid stimuleert me tot een aangename voortvarendheid. Ik ben blij dat het eindig is, vrolijk dat ik waarschijnlijk de helft al gepasseerd ben, èn dankbaar voor wat er nog over is.

veertig

Deze tekst werd voorgelezen op zaterdag 11 juni 2016 binnen aflevering 35 van het radioprogramma Kulti Kulti (in de rubriek “Moedig Voorwaarts”)

%d bloggers liken dit: