Zwabber

Een zonnige maandagmiddag. Ik loop schoorvoetend door de Indische buurt van Amsterdam. Na maanden van louter hoogst noodzakelijke winkelbezoekjes, overweeg ik nu toch eens wat te laten doen aan die zwabber op mijn hoofd. Hoelang was mijn laatste vakkundige knipbeurt ook weer geleden? Oei, was dat niet net voor de kerst? Mijn tussentijdse poging tot temmen en fatsoeneren ten spijt, is mijn haardos nu echt een vormeloze bos geworden.

Dan stap ik de eerste de beste barbershop binnen, en twijfel meteen zodra ik de drempel ben gepasseerd. Naast schaamte over mijn verwaarloosde coupe, vrees ik afwijzing, protocollaire rompslomp en een nieuwe angstaanval, zoals ik die laatst in de Action had, toen een oudere dame ontstellend dichtbij me kwam staan.

Aha. De barbershop blijkt niet druk. Sterker nog: ik mag direct plaats nemen! De kapper, een veertiger met een schitterende grijze kuif, komt dadelijk ter zake, en vraagt wat ik wil. Tja.. Er borrelen spontaan allerlei wensen op, maar ik zeg maar dat ik het van achter en aan de zijkanten flink kort wil, en boven langer.

Het moment dat hij aanvangt met zijn kapkunsten heeft wat plechtigs, alsof hij het lint van anderhalve meter rondom mijn huidhonger doorknipt. Deze man, wiens naam ik niet weet, wiens gezicht ik alleen maar gedeeltelijk kan zien, is immers de eerste mens sinds 3 maanden die me aanraakt.

Even ben ik bang dat ik het niet aan zal kunnen, dat zijn aanraking me zal overweldigen. Zijn zachte blik en doeltreffende handen weten me echter gerust te stellen. Geen paniek, maar eerder ontroering valt me ten deel.

De kapper moedigt niet aan tot een gesprek, maar lijkt op te gaan in het snoeien en het stileren. Hij doet me aan Tan France van de serie Queer Eye denken, maar ik hou het voor me.

Waar sommige kappers ietwat bruusk je hoofd in verschillende posities duwen, ofwel kortaf eisen dat je naar voor of achter buigt, weet hij me vloeiend en zonder weerstand te krijgen waar hij me hebben wil. Misschien gaat het wat te ver om te beweren dat we elkaar perfect aanvoelen, maar zo lijkt het even wel te zijn. Het is niet erotisch, maar in alle verstilling juist meditatief, en onmiskenbaar teder..

Als op wolken loop ik daarna terug naar huis. Precies wat ik nodig had.

[Deze tekst is ook te beluisteren: HIER, binnen aflevering 83 van LGBT+ Radioshow Kulti Kulti, uitgezonden: zaterdag 13 juni 2020]

Paul Haenen

Kent u de uitdrukking “kent u die uitdrukking”?

Het zijn de gevleugelde woorden van dominee Gremdaat, alter ego van tv-maker, cabaretier, (stem)acteur, toneelschrijver en journalist Paul Haenen (1946), die momenteel dagelijks via verschillende kanalen Troost TV de wereld instuurt.

Ogenschijnlijk moeiteloos improviseert hij rechtstreeks vanuit het Betty Asfalt Complex urenlange uitzendingen aan elkaar. Zijn kenmerkende relativerende humor en oprechte interesse in de mensen die hij interviewt, zijn daarin als een balsem voor deze wankelmoedige tijd.

Daarnaast is er nu ook van zijn hand “Ik heb bekend – dagboeken 1958-1965” verschenen, ten onrechte wat ondergesneeuwd door de huidige crisis. In deze bundel leren we Paul Haenen kennen vanaf de vele bladzijdes uit zijn puberdagboeken, en zijn we deelgenoot van zijn persoonlijke ontwikkeling tussen zijn 12de en 19de levensjaar.

Het heeft iets voyeuristisch om een dagboek te lezen, omdat we immers iets lezen wat nooit bedoeld is om door derden gelezen te worden. Tegelijkertijd is het fascinerend en meeslepend om iemands intieme denkwereld met iedere bladzijde te zien groeien.

De jonge Paul Haenen doet verslag van diens woelige gezinsleven, met zijn krenterige vader en pleinvrezende moeder, en de perikelen op school, maar minstens zo interessant is wat hij niet durft op te schrijven. Hoewel de toon doorgaans voortvarend en monter is, proef je als lezer tussen de regels door de pijn van een buitenstaander.

Het dagboek laat zien hoe hij omgaat met de ruzies binnen zijn familie. In plaats van er schande van te spreken of over te klagen, schetst hij de conflicten alsof het sappige verhaaltjes in een sensatieblad zijn. Het is opwindend zo de kiem van zijn latere toneelwerk en hilarische sketches te zien in zijn talent om het alledaagse dramatisch uit te vergroten.

Het dagboek blijkt ook een broodnodig hulpmiddel te zijn om zijn eenzaamheid te onderkennen en mogelijk te overwinnen. Hoezeer deze eenzaamheid verbonden is met zijn ontdekking homoseksueel te zijn, blijkt naarmate het dagboek vordert.

Voor menig LGBT+’er zal het pijnlijk herkenbaar zijn: het gevoel er niet bij te horen, de twijfel, en het hunkeren naar vriendschap. Daarna het compensatiegedrag: de ambitie van Paul om zich te mengen in het debat over de publieke omroep door middel van ingezonden brieven, zijn amechtig pogen om populair te worden en uit te blinken.

In het nawoord, een verhelderend interview, blijkt dat het allemaal uiteindelijk meer dan goed is gekomen. Paul Haenen vond zijn geliefde, Dammie van Geest, en niet veel later ook zijn creatieve draai en authentieke stijl, in het midden van de jaren ’70.

Persoonlijk zal ik altijd schatplichtig zijn aan Pauls werk, maar ook zijn strijdlust en moed. Nog zie ik mezelf zitten in het tv-publiek van Haenen voor de nacht in 1993, toen ik 17 was, en mijn eigen dagboekje bijhield. Ik zat nog in de kast, en was minstens zo eenzaam, en zeker zo ambitieus. Niet lang daarvoor had een klasgenootje me Paul Haenens roman “Wacht maar jongen” toegespeeld, met de opmerking dat het “echt iets voor mij” zou zijn. Ik bloosde van oor tot oor, maar waagde me toch naar de tv-opname in Amsterdam, voor het eerst bewust te midden van allerlei gevoelsgenoten die in alle vrijheid zichzelf durfden te zijn.

In de 27 jaar die volgden, ben ik, met tussenpozen, steeds weer teruggekomen. Paul optredens, voorstellingen, video’s en nu ook zijn Betty Asfalt TV, voelen als een warm bad, vertrouwd en geborgen. Met dominee Gremdaat weet hij zich de laatste tijd ook nog eens te vernieuwen met de geruststellende en optimistische dagafsluitingen op Youtube, net voor het slapengaan.

Op de vraag van mijn moeder of ik soms op jongens viel, moest ik, toen ik 17 was, het antwoord vooralsnog schuldig blijven. Maar wat ik wel met haar durfde te delen was dat ik Paul Haenen heel fantastisch vond!

En zo is het gebleven. “Met spekjes, of wat dan ook, daarin..”

[Deze tekst is ook te beluisteren: HIER, als onderdeel van een eerbetoon aan Paul Haenen, binnen aflevering 81 van LGBT+ Radioshow Kulti Kulti, uitgezonden: zaterdag 11 april 2020]

Isolatie

Terwijl buiten de natuur explodeert, lijkt de mensheid binnenshuis langzaam weg te kwijnen en te imploderen.

De afgelopen weken waren vervreemdend en beklemmend. De zogenaamde intelligente lockdown heeft bij velen geleid tot een gestage emotionele verwijdering.

Als zelfverklaarde introverte hoogsensitieveling zou dit een kolfje naar mijn hand moeten zijn. Hoewel ik dankbaar ben voor het dak boven mijn hoofd en de gepriviligeerde positie waar ik me in bevind, breekt deze isolatie me toch op.

Een maand geleden openbaarde de huidhonger zich aan me, en nestelde zich diep in mijn wezen. Wat ik ooit ervoer als een heilzaam, zelfgekozen semi-kluizenaarschap (“Ik heb nou eenmaal veel tijd alleen nodig om dingen te verwerken”) is verworden tot een gedwongen ballingschap.

Het schrijnende gemis nadat ik een vriend van een afstand gedag heb moeten zeggen, voelt als koffie zonder cafeïne. Het mag dan een beetje hetzelfde smaken, het opwekkende effect blijft uit.

Wat doet het met een mens als je voor onbepaalde, zeker lange tijd, onaanraakbaar bent verklaard? Het is bekend dat babies sterven bij gebrek aan huidcontact, maar wat gebeurt er met mensen van oudere of middelbare leeftijd in dit geval?

Het lijkt erop dat we ons massaal proberen zoet te houden met surrogaat. Bij gebrek aan hetgeen we eigenlijk verlangen, maar iets aangrijpen wat er enigszins bij in de buurt komt, maar wat ons toch niet vervult.

Verslavingen verdiepen zich of breiden zich nu uit. Depressie en angsten laaien op. Met moeite verworven psychisch evenwicht raakt verstoord.

Van de week stortte mijn persoonlijke kaartenhuis van surrogaten even in, toen mijn internetverbinding ’s avonds laat het begaf. Weg sociale media als vervanging voor fysiek contact. Weg oeverloos escapisme van de boze naar de fantasiewereld. Weg Netflix. Weg snelle porno.

Toen ik me naar de router in de meterkast op de gang spoedde, trof ik daar de buurman, die precies hetzelfde probleem bleek te hebben. Vertwijfeld keken we elkaar aan. Wat nu? En bovendien: was er wel anderhalve meter afstand tussen ons in?

Niet veel later schoot ik mijn jas aan en begaf me toen maar op straat, richting nachtwinkel, terwijl ik donders goed wist dat ik daar niet zou vinden wat ik zocht.

Ik weet inmiddels niet meer zo goed of ik nu banger ben voor andere mensen of voor mezelf..

[Deze tekst is ook te beluisteren: HIER, in de rubriek “Moedig Voorwaarts”, binnen aflevering 81 van LGBT+ Radioshow Kulti Kulti, uitgezonden: zaterdag 11 april 2020]

Huidhonger

Met een volgehamsterde boodschappentas ploeg ik me een weg terug naar huis over een modderig pad. Een bloeiende struik met felgele bloemen trekt mijn aandacht. Zijn het chinese klokjes die mij roepen? Ik steek mijn hand uit en streel langs de takjes, waarbij een aangename geur vrijkomt. Zowaar voel ik ineens toch het voorjaar! Huidhonger.

Ineens smacht ik te zijn zoals deze bloemen: open en uitbundig. Ik denk aan mijn fles Bal à Versailles, mijn liefde voor parfum en complimenten die ik mocht ontvangen, nog niet zo lang geleden. Ooit vond iemand me uitermate de moeite van het plukken waard. Nu doen de protocollen me de lol vergaan. Waarom zou ik lekker willen ruiken als niemand meer zo nabij durft te komen dat ik ruikbaar ben? Huidhonger..

Onwillekeurig moet ik denken aan het personage Oliver in André Acimans vervolg op Call Me By Your Name, genaamd Find Me. Hoewel de roman me teleurstelde, blijft de beschrijving van een oudere Oliver me al te zeer bij: een man van zowat exact mijn eigen leeftijd, ooit gewend dat de meeste mensen er gediend van waren door hem aangeraakt te worden, maar nu inmiddels beschroomd en steeds minder zelfverzekerd daarin. Huidhonger.

Ik moet ook denken aan de verlangens van anderen. Die stramme handdruk van die oudere heer die net iets te lang aanhield. Die wurggreep waarin die ladderzatte kennis me probeerde te smoren. Die gewoonte van die vriendin om haar woorden kracht bij te zetten door me stevig in de arm te knijpen. Allemaal huidhonger.

Mijn huid tintelt als ik die bijzondere ontmoeting op dat feestje van laatst in mijn herinnering terugroep. We leken elkaar te zien voor wie we waren, en genoten ogenschijnlijk van elkaars aanwezigheid. We schenen even samen te vloeien in het moment, maar de fysieke afstand werd maar niet overbrugd. Was het verlegenheid, onmacht of verbeelding?

Opeens verschijnt er dan een zwarte kat op mijn pad. Het beestje is schichtig, maar ook nieuwsgierig. Hij schurkt tegen mijn scheenbeen, kronkelt om mijn enkel en wil graag geaaid worden. Heel even kan ik mijn geluk niet op..

[Deze tekst is ook te beluisteren: HIER, in de rubriek “Moedig Voorwaarts”, binnen aflevering 80 van LGBT+ Radioshow Kulti Kulti, uitgezonden: zaterdag 14 maart 2020]

OK Boomer

Het moest er toch weer eens een keer van komen. Aan het einde van de jaren ’10, nog niet zo lang geleden, waagde ik weer eens een bezoekje aan de homosauna. Zou ik het nog kunnen? Zou ik op de jachtvelden van de lust de gouden combinatie kunnen terugvinden van begeren en tegelijk begeerd worden?

Rozig van wat wijn begaf ik me naar de plek waar ik steevast ga als ik net in de sauna ben aangekomen en mijn strategie wil overdenken: het bubbelbad. Oh, dat weldadige, vrije en tijdloze gevoel even helemaal omgeven te zijn door al dat warme geborrel en gebruis..

Aan weerszijden zaten reeds een wat oudere man en een jongere jongen te converseren. Een daddy en een twink verwikkeld in een discussie, die enigszins verhit bleek.

“Je raakte eerder wel degelijk mijn knie aan, terwijl je daar geen expliciete toestemming voor hebt gevraagd. Ik vind dat echt niet kunnen.”

De oudere man lachte daarop smalend op het verwijt van de jongen.

“Dit is een safe space, en dit soort gedrag hoort hier echt niet. En je gedraagt je alsof je er nog trots op bent ook.”

“Ach wat, heel even je knie aangeraakt. Ik ben toch meteen gestopt toen je aangaf er niet gediend van te zijn? Wie denk je dat je bent? Dit is een homosauna, hier gebeuren dit soort dingen. Als je het niet aankan, ga dan alsjeblieft weg.”

De jongen tikte demonstratief op het bordje naast het bassin: “No sex in the whirlpool”.

“Weet je wat het is met jou, en die generatie van je? Jullie zijn te verwend, en hebben geen idee hoe de dingen in de wereld echt werken,” vervolgde de man.

“Pardon? Wi je wel heel gauw je toon checken? En met dit soort vooroordelen bevestig je alleen maar je eigen ignorance.”

Het was fascinerend om getuige te zijn van deze vinnige woordenwisseling tussen twee generaties. Hoewel gelukkig niet agressief, waren beide partijen aan elkaar gewaagd met hun venijn. Tegelijk vroeg ik me af waar ik eigenlijk stond. Zou ik partij kiezen voor de zogenaamde boomer of juist voor de millennial?

Aan de ene kant heb ik altijd veel bewondering gehad voor babyboomers en hun lef en creativiteit. Zonder babyboomers immers geen verbeelding aan de macht, geen vrije liefde en geen emancipatie. Oh, wat heb ik vaak gewenst eerder te zijn geboren, zodat ik Amsterdam nog mee had kunnen maken toen het een “magies sentrum” was!

Aan de andere kant kan ik me toch ook wel irriteren aan de egocentrische en zelfgenoegzame houding, waarmee sommige boomers neerkijken op mijn generatie, die ze te menen te moeten wegzetten als de Generatie Nix.

Veel ideeën van de millennials spreken me daarentegen aan, en ik heb veel achting voor de nieuwe inzichten die zijn ontstaan door van jongs af aan de kennis van de hele wereld in je broekzak bij je te dragen. Leve de inclusiviteit, het onderkennen van privileges en de vloeibaarheid van gender! Het doet me goed te zien hoe mondig deze generatie is in het opeisen van rechten en het benoemen van onrecht.

Toch is me niet ontgaan dat dit idealisme soms ook kan verworden tot zwart-wit-denken, met sektarische slogans en een humorloze verbetenheid als gevolg. Het beste voorbeeld hiervan lijkt me nog wel de cancel-cultuur, waarbij mensen die ergens van verdacht worden rücksichtslos behandeld worden alsof ze schuldig bevonden zijn.

Ineens valt alles dan stil. Zowel het gesprek als de luchtbellen. De boomer en de millennial kijken me vragend aan. Ze willen weten wat ík hier nou van denk.. Tja..

Ik spreid mijn handpalmen in de lucht, en er ontglipt me tegelijkertijd een schaterlach. Dit blijkt het perfecte moment om het bubbelbad te verlaten en een rondje te gaan lopen, maar niet voordat ik nog één keer op de knop druk die de bubbels weer op gang brengt.

[Deze tekst is ook te beluisteren: HIER, in de rubriek “Moedig Voorwaarts”, binnen aflevering 78 van LGBT+ Radioshow Kulti Kulti, uitgezonden: zaterdag 11 januari 2020]

Jaloezie

Was man liebt, das neckt sich.. Meisjes plagen, kusjes vragen. Als je echt van iemand houdt, dan kun je je plaagstootjes veroorloven dan wel laten welgevallen, want je weet wie het zegt.

Liefde en jaloezie verhouden zich tot elkaar als plagen en pesten. De vurige intimiteit is bij allebei even evident, maar bij jaloezie krijgt de kleur een bijna baldadige verzadiging, een bijna gewelddadige intensiteit.

Jaloezie is de geelzucht van de ziel, aldus dichter John Dryden. Of is het eerder het groenogige monster waar Shakespeare het voor hield?

Groen en geel zijn de neontinten van de ergernis. Verhuld, verborgen, opgesmukt of verdund, zijn ze in essentie schreeuwerig fel, doordrenkt van diepe wanhoop.

Luxaflex is een leugen. Jaloezie is niet meervoudig, noch hoogstaand, meegaand of buigzaam. De enige waarheid schuilt in de eigenschap om een donkere schaduw op alles en iedereen te werpen. Oh, the shade!

Oogschaduw. Overdadig, grootschalig aangeboden. Onlangs lanceerden make-up artist Jeffree Star en Youtuber Shane Dawson een gezamenlijke lijn in marketing en mooimakerij, met miljoenenwinsten wereldwijd, binnen een paar minuten tijd.  Het internet der bestellingen brak ervan. De adoratie maakte echter pas op de plaats, en het gif van de jaloezie glipte door de spleten van het succes. Via de sociale kanalen sijpelde de etterende kritiek door. Aantijgingen van racisme, afschuwelijke blackface-fragmenten en andere bijtende verwijten doemden op. Hoewel deels terecht, was het moment wel heel bitter uitgekozen.

Binnen mijn Twitterbubbel borrelt en bruist het rond Bowi, bekend als voetbalminnende jonge homo die het waagde zich uit te spreken tegen de homofobe blaaskakerij in de voetballerij. Wat mij het meest verbaast echter, zijn niet de bedaagd-cynische spreekkoren, maar juist de zure steken van ogenschijnlijk gelijkgestemden, van mensen die op hem lijken. Verscholen in laffe anonimiteit, dan wel over het paard getild, gehuld in een mantel van morele verontwaardiging, wordt zo een jonge activist weggezet als “homonationalist”, zonder enige onderbouwing.

Jaloezie is misschien wel de meest schaamtevolle, en daardoor lelijkste emotie. Verpakt als goedbedoeld advies, vermomd als redelijke kritiek, denken we er vaak nog mee weg te kunnen komen ook, tot we moeten onderkennen dat die ander onze buitensporige gekrenktheid haarfijn doorziet, en we worden ontmaskerd door onze ernst.

De schrijnende pijn achter jaloezie schuilt in de angst er eigenlijk niet toe te doen als mens. In de relatieve vergelijking met de ander, is het heimelijk verpletterende succes van de ander als zout in onze wonden, als een scheur in ons zelfbeeld.

Ook ik ben bij tijd en wijle, soms toch wel enigszins buiten zinnen van kinnesinne. Ik probeer te admireren en te aspireren tot grotere hoogten, maar benijd ondertussen toch al die velen om me heen die intelligenter, positiever, welvarender, daadkrachtiger, creatiever en stabieler zijn dan ik ooit zal zijn.

Tja, om de dichter William Shenstone te citeren, wordt “niets zo algemeen geprezen als mooi weer. Dat komt omdat men dit zonder afgunst kan doen.”

jaloezie

Deze tekst werd zaterdag 9 november 2019 voorgelezen in het kader van de rubriek “Moedig Voorwaarts” in het radioprogramma Kulti Kulti. Beluister het HIER in aflevering 76!

Discojasje

Een nieuwe jas uitzoeken is nou echt zo’n karwei waar ik voor in de stemming moet zijn. Het is als inspiratie: grillig en vluchtig. Zo vormt zich een visioen van de ideale jas, zo ontglipt je dat weer door het overweldigende aanbod. “Jasje, can you hear me?” Mantel der liefde, waar zijt gij? Bedek mij.

Onlangs wist ik mijn verlammende besluiteloosheid te doorbreken door de weg van de serendipiteit te bewandelen. Door niet gericht te zoeken, maar open te staan voor wat er toevallig op mijn pad zou komen, hoopte ik iets te vinden  wat in schoonheid, pasvorm en prijs mijn bewuste wensen zou overtreffen. Hoe terloopser, hoe beter.

Na enkele omzwervingen kwam ik terecht in een winkel van Gideon Italiaander, een keten die grossiert in letterlijk van alles en nog wat. “We weten zelf ook niet wat we allemaal verkopen”, had de dienstdoende kassamedewerker me ooit al droogjes toegevoegd. Inboedels, zowel van failliete winkels als privé, uit alle denkbare branches zijn er te vinden. Van zeep tot fietsen, van serviesgoed tot dus soms ook jassen.

Tot mijn blijdschap werd mijn oog toegetrokken naar een blauw jasje, waarvan de stof me toeglom te midden van beduidend mattere en saaiere exemplaren. En die kleur.. was dat pruisisch blauw? Nee, het was een gul en diep korenbloemblauw. De snit was ruim, en uitstraling netjes, maar gelukkig niet te formeel. Hebbes! Zonder nog te denken kocht ik vervolgens deze jas voor een spotprijsje.

Ik was in mijn nopjes toen de enige echte Maxime Duvall mijn nieuwe aanwinst omschreef als “discojasje”. Ik vond ook dat ik geboft had met de stof, die sterk, enigszins waterafstotend, doch ademend was, en geschikt voor zowel lente als herfst. Het bleek ook perfect om te dragen naar de garderobeloze homo- en lesbodisco De Trut. Door de opvallende kleur was de jas makkelijk te herkennen als de mijne, waarmee dronken vergissingen van andere gasten makkelijker waren te voorkomen.

Het enige minder flitsende aspect, dat ik aanvankelijk over het hoofd had gezien, school in de enorme zakken aan de zijkant, maar ik dacht nog: beter te grote zakken, dan géén zakken..

Er was echter meer aan de hand. Dit ging me langzaam dagen toen ik weer eens in een winkel werd aangeklampt door een haastige klant, of op straat aangesproken werd door een passant. Zo oogstte ik ineens wel erg veel vragen over betaald parkeren. In de supermarkt op de hoek werd me gevraagd waar de lege batterijen ingeleverd konden worden. In de drogisterij kreeg ik een ietwat bits “Waar staat de shampoo?”

Inmiddels verbazen me dergelijke verzoeken niet meer, maar amuseren ze me des te meer. Och, die schaamtevolle blikken als ik onthul geen winkelbediende te zijn! Ach, die nonchalante en stompzinnige vooroordelen op basis van uiterlijkheden. Als kleding de man maakt, wat maakt mij dit dan? Zoals mijn jasje waait, zo waait de wind in de hoofden van de anderen..

Ja, ik besef nu dat mijn jasje klaarblijkelijk onder de categorie “werkkleding” valt. Het voelt daarom des te spannender, en ook eervoller, om het expres, en in mijn vrije tijd, te blijven dragen!

Deze tekst werd zaterdag 12 oktober 2019 voorgelezen in het kader van de rubriek “Moedig Voorwaarts” in het radioprogramma Kulti Kulti. Beluister het HIER in aflevering 75!

Armistead Maupin’s Tales Of The City

Mijn hart klopt in mijn keel voor ik op play druk en begin met het bekijken van Armistead Maupin’s Tales Of The City. Deze recente Netflix-serie is een adaptatie van de geliefde serie boeken van de mij zeer dierbare auteur Armistead Maupin, en mijn angst schuilt in het gegeven dat adaptaties nogal eens de neiging hebben om tegen te vallen. Hoewel eerdere delen zich al wat jaren geleden prachtig lieten verfilmen tot miniseries, temper ik nu mijn verwachtingen. Niet alleen zijn nu de oorspronkelijke plotlijnen losgelaten, er zijn ook allerlei nieuwe personages toegevoegd en het geheel is verplaatst naar 2019. Als dat maar goed gaat..

Midden jaren ’90, toen ik parttime drama studeerde aan de Schrijversvakschool, attendeerde docent Thomas Verbogt me op het werk van Maupin en prees diens krachtige en natuurgetrouwe dialogen. Al snel raakte ik verknocht aan de wereld die Maupin schetste: het vrijzinnige San Francisco van midden jaren ’70, waar een groepje jonge mensen zichzelf, elkaar en de liefde ontdekt. Als jonge homo die nog in de kast zat, gaf het personage van de romantische Michael Tolliver mij hoop. Zijn zoektocht naar seks en liefde en zijn strubbelingen rond zijn coming-out openden mij de ogen en lieten me zien wat er mogelijk was. Ook boden de verhalen een alternatief voor een mogelijk afwijzende biologische familie, namelijk de zogenaamd logische familie: een zelfgekozen groepje zielsverwanten dat van je houdt en je accepteert zoals je bent.

Het knappe van Maupins werk is dat hij het voor elkaar krijgt om op een schijnbaar moeiteloze manier diversiteit te verbeelden. Naast de homoseksuele Michael, zijn er aanvankelijk de heteroseksuele Mary Ann en Brian, de biseksuele Mona en niet te vergeten de wijze transgender mater familias Anna. Hoewel de verschillende plotlijnen elkaar afwisselen als in een feuilleton, blijken de personages allemaal innig met elkaar vervlochten te zijn. Daarbij weet Maupin ook steeds de tijdgeest te vatten: van de politiek geëngageerde hippietijd tot het AIDS-tijdperk, en, na een lacune van 18 jaar, de steeds meer gegentrificeerde realiteit van het hedendaagse San Francisco. Dit alles met veel humor en een prettige portie spanning opgediend.

Na het zien van de eindtitels van de eerste verse aflevering, merk ik dat ik onthutst ben. Na de aangrijpende hernieuwde kennismaking met de vertrouwde personages en de introductie van een aantal bijzonder aansprekende nieuwe characters, volgt er een plotselinge stilte die voelt als een donkerslag. Het enige verschil is dat het niet donker wordt, maar dat er in plaats daarvan beeldvullend een vlag te zien is, te weten de recente en omstreden variant op de regenboogvlag, met een extra zwarte en een bruine baan aan de bovenkant, die aandacht vraagt voor discriminatie op basis van huidskleur. Pats!

Ineens besef ik hoe wit de cast van Tales Of The City voorheen was, en hoe vanzelfsprekend dat voor mij als witte man leek. Ineens herinner ik me ook hoe huidskleur eerder enkel garant stond voor een verrassende plotwending. Ineens zie ik wat de makers van deze nieuwe serie hebben gepoogd te doen. Ze hebben de diversiteit van Maupin gemoderniseerd en intersectioneel gemaakt. Ze hebben zich aangesloten bij de cultuurkritiek dat de oude inclusiviteit niet inclusief genoeg is. Ze hebben, met andere woorden, de vinger aan de pols van deze tijd gehouden, precies zoals Maupin dat tot nu toe altijd gedaan heeft!

Tales Of The City anno 2019 vertelt verhalen die nu rijp en relevant zijn om verteld te worden. Neem bijvoorbeeld de emotionele en psychische ontwikkeling binnen de relatie tussen de jonge transman Jake en zijn lesbische vriendin Margot, die zich beiden, na Jakes transitie, geconfronteerd zien met persoonlijke dilemma’s. Ook Michael Tolliver raakt verzeild in diverse interessante dramatische conflicten, in zijn relatie met de veel jongere en zwarte Ben. Een van de meest indringende scènes is wel die waarin er twee generaties homo’s met elkaar botsen tijdens een etentje, en Michael onmogelijk partij kan kiezen tussen zijn millennial geliefde en zijn leeftijdsgenoten die de AIDS-crisis van binnenuit hebben doorleefd.

Hoe beter je kijkt, hoe meer lagen van diversiteit er te vinden zijn. Leeftijd, schoonheid, huidskleur, sekse, gender, homo-, bi- en heteroseksualiteit, maar ook sociale status, taal, culturele traditie, levenservaring, gezondheid en afwijkende lichamelijke of verstandelijke mogelijkheden, het zit er allemaal in.

Het is bewonderenswaardig hoeveel diepgang de personages stuk voor stuk laten zien. Waar andere tv-shows, zoals bijvoorbeeld Pose, neigen om de emotionele complexiteit van de personages op te offeren aan het uitdragen van een relatief eenduidige politieke boodschap, overtuigt Tales Of The City door de dubbelzinnigheid te laten zien van het menselijk karakter, voorbij goed of slecht.

Als iets Maupins oeuvre typeert, is het misschien wel de liefde en warmte waarmee hij zijn personages beschrijft, waardoor ze aanvoelen als mensen van vlees en bloed.  Ik voel me nu opnieuw geraakt, alsof ik thuisgekomen ben.  Wat mij betreft is deze serie zeer geslaagd. Een bij vlagen nostalgische, maar vooral een verrijkende ervaring.

Deze tekst werd zaterdag 14 september 2019 voorgelezen in het kader van de rubriek “Moedig Voorwaarts” in het radioprogramma Kulti Kulti. Beluister het HIER in aflevering 74!

Oeps..

Een zwoele, zo niet broeierige zomeravond. Terwijl het kwik buiten eindelijk een paar graden prijsgeeft, voel ik me onderhand een geroosterd kippetje binnen de wanden van mijn huis, mijn schuilplaats die inmiddels een oven is geworden. Tegen twaalven vat ik de moed op, om toch nog even een wandeling te maken. Om mijn doel van 10.000 stappen te halen, en zodoende hopelijk even wat hitte van me af te schudden.

Ik zet er flink de pas in, maar het voelt als een vergeefse vlucht. Hoewel de temperatuur relatief aangenamer is, gutst het zweet me over de rug. De klamheid beklemt me. Bij gebrek aan frisse lucht, probeer ik innerlijke rust te scheppen uit de klanken van het Franse easy-listening duo Air in mijn oortelefoontjes.

Tussen KNSM- en Java-eiland in, blijk ik lang niet de enige te zijn die verkoeling zoekt. Een groepje jongens dient zich luidruchtig aan. Ik ruik goedkope deodorant en walmende wiet. Ik vang een glimp op van een glanzende torso en harige bruine benen, maar wend mijn blik snel af, richting de stappenteller om mijn pols, die naast stappen ook mijn hartslag aangeeft: momenteel boven de 100.

Ik doe wat ik doorgaans doe: ik maak me zo onzichtbaar en onopvallend mogelijk, en hoop dat mijn lichaam me niet verraadt. In gedachten ga ik terug naar de gymlessen op de middelbare school. Als overlevingsstrategie wende ik me toen aan om mezelf te temperen, te neutraliseren. Omdat mijn natuurlijke manier van bewegen meer wegheeft van flaneren dan marcheren, controleerde ik zoveel mogelijk iedere beweging.

Moest ik in de gymles, ten overstaan van de meute, opnieuw een poging doen over de bok te springen, dan voelde iedere pas als een potentiële misstap. Eén onbewaakt ogenblik, en mijn vermeende vrouwelijke trekjes zouden zich tegen me keren. Er staat me nog levendig bij hoe ik ooit net over die bok had weten te glijden, met een onhandige landing. Voor ik er erg in had, floepte mij dat woordje uit de mond: “Oeps!” En meteen werd ik belachelijk gemaakt, nagedaan door de andere jongens, met brommende goedkeuring van de gymleraar.

Oeps. Zeg dat wel. Om zoveel mogelijk oeps-momenten te vermijden, ben ik nog steeds hyperbewust van mezelf, leg ik mezelf steevast langs de meetlat der heteronormatieve masculiniteit.

Oeps, als mijn blik weer eens vrijelijk dwaalt langs mannelijk schoon in de openbare ruimte. Oeps, zelfs als het niet eens een wellustige blik is. Oeps, als er misschien iets van vertedering via mij doorsijpelt. Oeps, en je wordt zo “zemel” genoemd, of erger: je krijgt een betonschaar in je nek. Oeps, en je wordt door een homofobe politie afgeraden aangifte te doen, genegeerd door het openbaar ministerie, dan wel publiekelijk aan de schandpaal genageld door sociopathische blaaskaken.

Het gesprek tussen de jongens valt even stil als ik hen nader. Eén jongen kijkt me een moment vragend aan. De sfeer is wat opgewonden, maar niet per se agressief. Gelukkig weet ik het groepje te passeren zonder kleerscheuren.

Even verder, op een wat meer afgelegen en donkerder stuk, staat een vrouw van in de 50, met haar rug naar me toe. Ze haalt iets uit haar fietstas, terwijl ze met haar andere arm het stuur vasthoudt. Ze neemt haar tijd en waant zich ogenschijnlijk alleen. Als ik haar tegemoet loop, aarzel ik wat te doen. Zal ik me excuseren, en vragen of ik er langs mag? Of laat ik haar daarmee juist schrikken? Zal ik anders wachten tot ze klaar is met haar fietstas? Of komt dat juist nog bedreigender over?

Als een dief in de nacht sluip ik uiteindelijk langs haar heen. Gelukkig. Ik lijk haar niet overrompeld te hebben. Zou ze me überhaupt opgemerkt hebben?

Dan klinkt haar stem achter me: “Zeg, wensen we elkaar tegenwoordig niet meer een goede avond?”

Ik voel het bloed naar mijn wangen stromen, draai me om en laat een genant lachje ontsnappen. Oeps, sorry.. Maar door het korte contact dat ik met haar heb, voel ik me ook meteen weer meer mens, en meer mezelf.

Ik krijg er kippenvel van.

Een paar stappen verder begint mijn activity tracker te trillen. Dagelijkse doel bereikt!

Deze tekst werd zaterdag 10 augustus 2019 voorgelezen in het kader van de rubriek “Moedig Voorwaarts” in het radioprogramma Kulti Kulti. Beluister het HIER in aflevering 73!

Anders als die Andern

Als ik het soms even niet meer weet, ga ik aan de wandel. Soms om mijn hoofd leeg te maken, soms om het juist te vullen met nieuwe indrukken en ideeën. Niet zelden dwaal ik daarbij af richting Openbare Bibliotheek Amsterdam, filiaal Oosterdok. De dag dat deze vestiging geopend werd, zal me blijven heugen: 7-7-2007, dezelfde dag dat het me lukte te stoppen met roken. Hopelijk blijkt mijn goede voornemen net zo sterk als de natuurstenen blokken waar de OBA uit is opgetrokken..

Door de grootse opzet, de recente verbouwing, en niet te vergeten de aanwezigheid van IHLIA LGBT Heritage, is er altijd iets om me over te verbazen of te verwonderen. Begin dit jaar stuitte ik op een kleine expositie ter ere van een film uit de oude Weimar-republiek, getiteld “Anders als die Andern”.

Op een scherm is een samenvatting van de speelfilm te zien (zie HIER online). “Anders als die Andern” vertelt het verhaal van een succesvol violist die de liefde vindt bij een leerling van hem. De tederheid tussen de twee mannelijke hoofdrolspelers is overtuigend en ontroerend, wekt sympathie en herkenning bij me op. De stijl, manier van acteren en de beeldvoering verwijzen terug naar de tijd, 1919, toen deze film geproduceerd werd. 1919, precies een eeuw geleden, tevens hetzelfde jaar dat de OBA opengesteld werd voor het publiek!

Even weet deze stomme film me met stomheid te slaan.. Ik word intiem getuige van hoe het leven van een homo in Duitsland er 100 jaar geleden uitzag. De verliefdheid is schattig om te zien, maar de tijdgeest werpt een diepe schaduw over de relatie heen. Omdat homoseksualiteit bij wet verboden is, middels paragraaf 175, vallen de heren ten prooi aan chantage, die hen tot vertwijfeling, depressie en zelfs zelfmoord brengt.

Het is een bittere boodschap, maar er is ook hoop te vinden in het personage van de dokter. Deze rol, gestalte gegeven door niemand minder dan de echte dokter Magnus Hirschfeld, is baanbrekend te noemen. Hij deelt hierin zijn visie op homoseksualiteit, die haaks staat op de maatschappelijke mores van die tijd. Volgens Hirschfeld komt homoseksualiteit overal in de natuur voor, is het geen abnormaliteit, maar enkel een variatie, en staat in principe niks de homoseksueel in de weg om een gelukkig leven te leiden — met uitzondering dus van die vervloekte paragraaf.

Ter plekke besef ik ineens hoe groot de rol van bibliotheken de afgelopen eeuw moet zijn geweest. Als kennis macht is, en kennis een einde kan maken aan misverstanden en discriminatie, dan is de openbare bibliotheek een perfect instituut om die kennis, gratis en voor iedereen die dat wil, beschikbaar te maken.

Onwillekeurig moet ik terugdenken aan het onzekere homojongetje dat ik ooit was, snuffelend in een make-up-boek van Boy George, en later schielijk romans lenend van John Fox en Armistead Maupin. Net zoals anderen voor mij hoop hebben kunnen putten uit de film en de geschriften van Hirschfeld, wist ik me ontworstelen aan mijn persoonlijke vooroordelen en moed te vatten door me een roze slag in de rondte te lezen.

Ook voel ik me trots op de OBA, om het faciliteren van de Mosse-lezingen over seksuele diversiteit, de Reve-middagen, de bijzondere tentoonstellingen en het feit dat ze juist Dolly Bellefleur vroegen om een “obade” te schrijven ter ere van het jubileum.

Het doet me goed dat zowel enthousiaste pensionado’s als ijverige jonge scholieren de weg naar de huidige bieb weten te vinden. De vorm en functie zijn weliswaar veranderd door de komst van het internet, maar toch hoop ik dat het over 100 jaar nog steeds, in welke hoedanigheid ook, een toevluchtsoord mag zijn voor eenieder die onderzoekend, nieuwsgierig en anders is.

Deze tekst werd zaterdag 8 juni 2019 voorgelezen in het kader van de rubriek “Moedig Voorwaarts” in het radioprogramma Kulti Kulti. Beluister het HIER in aflevering 71!

%d bloggers liken dit: