Tagarchief: recensie

Sgt. Pepper 2017

Mijn frambozenijsje smelt sneller dan ik likken kan. Mijn indrukken zijn veelvuldiger dan ik wat ik neerkalken kan. Ik luister naar Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band van The Beatles, en raak overweldigd.

50 jaar na het verschijnen van de oorspronkelijke LP in de zomer van de liefde, open ik mijn oren voor de nieuwe stereomix. De perfecte gelegenheid vind ik aan het einde van de dag, als ik naar buiten stap en het klassieke album al wandelend tot me neem, over de opgebroken Dijksgracht, het Java-eiland en de Oostelijke eilanden van Amsterdam.

Het voelt alsof ik in mijn eigen voetstappen treed. Terwijl de iepenzaadjes langsdwarrelen, ga ik terug in de tijd. Ik ben weer even in Groesbeek, op mijn jongenskamer, waar ik de LP van de bieb heb geleend en op een cassette op heb genomen. De muziek is als honing voor mijn oren. De psychedelische klanken zijn een elixer van vrijheid. Lucy In The Sky With Diamonds is als een poort naar een wereld waarvan ik het bestaan niet had kunnen vermoeden.

Ook bezoek ik in gedachten mijn peetoom Ton. Hij is de grootste Beatlesliefhebber in de familie en wist me al vroeg aan te steken met zijn passie. Hij laat me als jonge jongen de hoes van Sgt. Pepper zien, en stelt me gerust: Nee, Paul McCartney is niet verongelukt en vervangen door een dubbelganger! Geduldig legt hij me uit hoe onwaarschijnlijk die theorie is. Achter hem staat een poster uit het witte dubbelalbum, en naast hem rijen cassettes met de vele honderden prachtige liedjes en instrumentale nummers die hij zelf schreef, geïnspireerd door die intuïtieve autodidacten uit Liverpool. Later, als ik een puber ben met artistieke aspiraties, weet hij me op zijn beurt moed te geven om door te gaan met schrijven en zingen.

Anno 2017 krijg ik kippenvel bij het horen van de nieuwe mix. Zeer smaakvol en kundig heeft Giles, de zoon van de originele producer George Martin, de kwaliteiten van de monomix gebruikt voor een nieuwe stereoremix. Waar de oude stereoversie een haastklus was, met een grof, onnatuurlijk stereobeeld, biedt de remix een kristalhelder en prettig alternatief, en, wat mij betreft, zeker een verbetering. Het wordt hierdoor minder verheven en klinkt het meer dan ooit als een rockband die op staat te treden.

“It’s getting better all the time” is bitterzoet. Nog nooit klonken die woorden zo puur. Dit geldt ook voor de keerzijde: de cynische tegenwerping “it can’t get no worse” van John Lennon. Terwijl er de laatste tijd gestaag meer ziekte, verval en dood mijn leven binnensluipt, klinken The Beatles vitaler en frisser dan ooit. Over 100 jaar misschien zelfs nog wel méér. Het eeuwige overschaduwt langzaam maar zeker het tijdelijke. A Day In The Life is geen momentopname meer, maar vele levens en generaties vervat in één song. De nieuwe Sgt. Pepper is al met al een monument dat in al zijn glorie toch ook een beetje pijn doet..

Deze tekst werd zaterdag 10 juni 2017 voorgelezen in het kader van de rubriek “Moedig Voorwaarts” binnen aflevering 47 van het radioprogramma Kulti Kulti.

Advertenties

Djinn – Tofik Dibi

Vanaf het moment dat hij aan het politieke firmament verscheen, wist hij menigeen te fascineren: Tofik Dibi, fris, gedreven, Marokkaans-Nederlands en mediageniek. En nog homo ook, toch? Echt een aanwinst voor links-progressief Nederland, zou je denken. Hij kwam op, deed van zich spreken, kaartte belangrijke kwesties aan, maar leek na het vertrek van Femke Halsema en het Kunduz-besluit langzaam maar zeker uit koers te raken. Persoonlijk vond ik het pijnlijk te zien hoe krampachtig hij ontkende homo te zijn. Vervreemdend was ook de campagnetaal in de greep naar het leiderschap van GroenLinks. Bam! Van een rijzende ster was hij, in korte tijd, een gevallen ster geworden.

In de poëtische opening van zijn autobiografische boek Djinn, neemt Dibi ons mee in een mijmering over gevallen sterren, en geeft daarmee inzicht in zijn meest persoonlijke geheimen. Intrigerender dan de onthulling van het toch al wel publieke geheim van zijn homoseksualiteit, zijn de beschrijvingen van zijn innerlijke strijd, zijn angst en wanhoop, wensend bij een vallende ster, hopend op verlossing van het: “het onzegbare, het naamloze, dat altijd weer een weg terug vindt.”

Enerzijds is het verhaal van Tofik Dibi er een van verwoede pogingen te overleven binnen de schijnbaar tegenstrijdige werelden van homoseksualiteit en islam. Hoe gruwelijk en gewelddadig dit uit kan pakken, lezen we in de passages over zijn geheime escapades, die vaak eindigen in misbruik en mishandeling. “Dan verdwijn ik in mezelf, weg van hier, naar een plek waar alles klopt.”

Anderzijds is het een diep en intiem zelfportret van iemand die op zoek is naar zichzelf, en die hunkert naar herkenning. Wat te doen als je je nergens aan kan spiegelen? Wie ben je dan? Besta je dan eigenlijk wel? Mag je er wel zijn?

Veelzeggend zijn de talloze vergelijkingen die door het boek heenlopen. Dibi duidt zichzelf, en de mensen om hem heen, bij voorkeur door te verwijzen naar sprookjesfiguren (monsters, vampieren, Hans en Grietje, Sneeuwwitje, de boze stiefmoeder) of andere iconen uit de moderne popcultuur (de tovenaar van Oz, Pietje Bell, Roald Dahls Matilda, de Hulk en de X-Men). Het is alsof hij, bij gebrek aan rolmodellen van vlees en bloed, zijn eigen voorbeelden schept, puttend uit de fantasie en de vertelkunst.

Tegenover schaamte, twijfel en de interne hetze van het geheim en wat ze er misschien wel van zouden kunnen denken, staan gelukkig genoeg momenten van vertedering, dromen en hoop. Zo schrijft Dibi liefdevol over zijn eigenzinnige vader, zijn familie in Marokko en over ex-collega’s in de politiek. Daarnaast spreekt hij bewondering uit voor de lesbische moslima Irshad Manji en voor de onverschrokken vrijheidsdrang en diversiteit van de ball culture, zoals deze in beeld gebracht is in de documentaire Paris Is Burning.

Al met al een indrukwekkend en ontroerend boek, sensitief geschreven, zonder wrok, maar weloverwogen en met bijzonder veel persoonlijke nuance. Een spiegel voor Dibi zelf, en een krachtig voorbeeld voor vele anderen!

djinn

Deze tekst werd voorgelezen op zaterdag 14 november 2015 binnen aflevering 28 van het radioprogramma Kulti Kulti (in de rubriek “Moedig Voorwaarts”)

Een frisse start

Koel, helder water.. Kan het zo simpel zijn?

Sinds begin dit jaar waag ik me aan een dagelijkse duik onder de douche, waarbij ik de laatste paar minuten de warme kraan laat voor wat hij is. De Iceman Wim Hof indachtig, train ik mezelf voorbij de grenzen van het behaaglijke en aangename.

Ben ik nu dan zo wanhopig geworden dat ik alles maar aangrijp om me beter te voelen? Vrienden vragen me of ik wel goed bij mijn hoofd ben. Zelf twijfelde ik ook enorm daaraan toen ik 1 januari jongstleden langzaam maar zeker de warme kraan boven me dichtdraaide.

Een masochist zou ik mezelf niet noemen. Eerder overgevoelig of kleinzerig. Waarom doe ik mezelf dit dan toch aan? Is dit eigenlijk geen vorm van zelfkastijding?

De fysieke voordelen van koud douchen zijn inmiddels genoegzaam bekend. De koude stroom zou de alertheid verhogen, het immuunsysteem stimuleren en spieren helpen te herstellen na inspanning. Ook zou het gunstig werken bij slechte doorbloeding, oververhitting, vetverbranding en zelfs depressie.

Het vernemen van de voordelen is echter voor veel mensen niet voldoende om het dan ook daadwerkelijk te proberen. Misschien heb ik het geluk dat ik van nature nogal warmbloedig ben, en meestal meer last heb van hitte dan van kou. Als kind ben ik ook eens, tot woede van mijn ouders, een kraanwaterbad ingesprongen en daar een half uur gebleven. In plaats van onderkoeld, voelde ik me na afloop juist heerlijk verfrist.

Hoe dan ook is er aanvankelijk forse weerstand om de kilte te trotseren. Eenmaal overwonnen, komen er talloze onvermoede nieuwe baten bij. Het is vergelijkbaar met het extatische gevoel van, na met gezonde tegenzin, toch te zijn gaan sporten. Mijn lichaam tintelt en mijn gehele huid kleurt blozend roze. Ik voel me jonger en zorgelozer. Mijn vertrouwen groeit als ik na de koude doop meer bereid blijk andere dingen waar ik tegenop zie, ook wat actiever tegemoet te treden.

Ik hoop deze nieuwe gewoonte vast te kunnen houden door vooral niet te streng te zijn voor mezelf. Niet iedere dag meteen onder de ijskoude straal. Niet zo abrupt dat het me de adem afsnijdt. En soms ook gewoon lekker uitgebreid warm douchen.

frisse start

Deze tekst werd voorgelezen op zaterdag 10 januari 2015 binnen aflevering 18 van het radioprogramma Kulti Kulti (in de rubriek “Moedig Voorwaarts”)

American Horror Story

Soms is het gewoon even zaak om alles te verzaken. Laat het politieke gebazel achter je, laat de actualiteiten voor wat ze zijn, en dompel jezelf voor korte tijd onder in een bad van fantasie, van fictie.

Geen beter escapisme dan escapisme dat je, onverhoeds, toch wel degelijk met je neus op de feiten drukt, maar dan op een indirecte, omfloerste manier.

Horror kan zo’n dergelijke vlucht verschaffen. Horror kan, in al zijn gruwelijkheid, je confronteren met de narigheid en hardheid van het leven, zonder je dagenlang te verlammen met vrees of te verbitteren met misantropie.

De tv-serie “American Horror Story” heeft me getroffen als een curieuze, maar waardevolle afleiding. Deze productie van Ryan Murphy en Brad Falchuk, bekend van onder meer “Glee”, heeft me enerzijds bevrijd van dagelijkse zorgen, maar anderzijds geconfronteerd met diepgewortelde onderhuidse angsten.

“American Horror Story” lijkt op het eerste gezicht makkelijk amusement, maar blijkt bij nadere inspectie toch meer te vragen van de toeschouwer dan je aanvankelijk zou denken. De serie is opgedeeld in seizoenen, die ieder een eigen sfeer, tijdsperiode en locatie beslaan. De acteurs en actrices komen seizoen na seizoen terug, maar keren weer in rollen die soms diametraal tegenovergesteld zijn aan eerdere vertolkingen.

Degene die in het spookhuis de meeste sympathie wist op te wekken, weet in het seizoen daarna, gesitueerd in een gesticht, juist de meeste walging te genereren. Waar klassieke horror meestal vrij zwart-wit goed en slecht weet af te bakenen, is het in “American Horror Story” diffuser. Zo kan het ogenschijnlijk meest menselijke en empathische personage juist de grootste griezel zijn. Zie hiervoor bijvoorbeeld Zachary Quinto, die in het tweede seizoen gestalte geeft aan een dokter, die eerst heel redelijk lijkt, maar uiteindelijk toch een van de grote monsters van het seizoen blijkt te zijn: een seriemoordenaar met een voorliefde voor staande lampen. Staande lampen, degelijk en tuttig, een beetje saai, tot je in een close-up een menselijke tepel ziet in de opgespannen huid die de lampenkap vormt..

Grenzen van betamelijkheid en goede smaak worden stelselmatig overschreden. Zo wordt er bijvoorbeeld geopperd dat Anne Frank misschien niet gestorven is in een concentratiekamp, maar gevlucht naar Amerika, alwaar ze alsnog in een gesticht belandt, waar haar verhaal niet geloofd wordt, en ze uiteindelijk oog in oog komt te staan met.. een nare kampdokter van weleer, die in het Duits laat blijken haar inderdaad te herkennen. Gruwelijk. Of wat te denken van het in beeld brengen van de beslommeringen van Madame Delphine LaLaurie, een bekende figuur binnen de 18e eeuwse bourgeousie van Louisiana, die zwarte slaven verminkte, martelde, en zich, als ritueel voor het verkrijgen van eeuwige jeugd, insmeerde met hun verse bloed?

Gelukkig is de overdrijving genoeg doorgevoerd. Gelukkig is er schoonheid, humor en ironie om de heftigheid te temperen. Een actrice als Francis Conroy, eerder bekend van haar rol als moeder in “Six Feet Under”, krijgt in de serie ruim baan om zich van vele verschillende kanten te laten zien. Binnen het ensemble van steeds nagenoeg dezelfde acteurs en actrices, maar in steeds totaal andere rollen, blinkt zij uit: van de vermoeide dienstmeid in seizoen 1, een klassieke verbeelding van troostende godin des doods in seizoen 2, tot een hippe fashionista op leeftijd met Brits accent, artistieke bril en rood haar in seizoen 3.

Enige minpuntje vind ik de plotlijnen. Waar deze bij de meeste horror en de meeste series redelijk logisch verlopen, weet je bij “American Horror Story” nooit waar je aan toe bent. Wie goed is, wie slecht is, maar ook: wie belangrijk blijkt voor het verloop van het grotere verhaal, het kan vaak alle kanten op, met de mogelijkheid dat het een volgende aflevering weer helemaal anders is.

Natuurlijk kan alles, maar kan echt álles? Het is een dunne lijn tussen ongeloofwaardigheid en gelukzalige verbeelding.

Deze column werd zaterdag 8 februari 2014 voorgelezen in het radioprogramma KULTI KULTI, aflevering 07

Het schuldige leven van Gerard Reve

Het is volbracht.. Net het laatste deel van de grote Gerard Reve-biografie van Nop Maas uitgelezen. Joop Schafthuizen, Reves laatste levenspartner, had ongelijk toen hij zei dat het alleen maar over geld, drank en seks zou gaan. Hoewel het daar grotendeels wel op neerkomt, bevat het boek toch ook een flinke dosis rechts-extremisme, paranoia en pillen. Het lezen van deel drie was een ontluisterende ervaring.

De gedegenheid waarmee Nop Maas het leven van Reve heeft weten te boekstaven is soms duizelingwekkend. Drie delen van ieder zo’n achthonderd pagina’s, gedrukt op vliesdun papier, dat meestal gebruikt wordt voor bijbels, zetten uiterst nauwgezet alle feiten en weetjes op een rij. Wat de Volksschrijver at, hoeveel dozen goedkope wijn van het merk Prokupac hij er in een bepaalde periode wist door te jagen, hoe hij aan bepaalde grondstoffen voor een verbouwing kwam, geen detail blijft onbenoemd. Als lezer verneem je van trivialiteiten die je binnen je eigen recente leven allang bent vergeten. Waarom zouden we dat allemaal moeten weten van Gerard Reve?

Wie een grondige analyse verwacht van karakter en drijfveren, komt bedrogen uit. Nop Maas duidt niet, maar distilleert vooral informatie uit persoonlijke brieven van Reve, en dient deze op in chronologische volgorde. De data maken dat je als lezer steeds sneller neigt te gaan lezen, alsof de persoonlijke preoccupaties van Reve je op de hielen gaan zitten.
De feiten en bevindingen rond Reves verblijf op zijn Geheime Landgoed zijn ronduit benauwend te noemen. Daar zat hij dan, in de verzengende zon te ploeteren aan een stenen muur van een afgelegen bouwval, alleen met zijn wijn en zijn wanhoop. Op de achtergrond was er dan Joop Schafthuizen, die hij eigenlijk lichamelijk niet aantrekkelijk vond, die, naar zijn zeggen ‘symboolblind’ en half doof was, en met wie hij eigenlijk geen fatsoenlijk woord kon wisselen. Ze konden niet zonder, en niet met elkaar..

Naarmate de bladzijdes vorderen, vervliegt dan ook nog iedere hoop op mildheid of nuance. Reve fulmineert in brieven tegen uitkeringstrekkers en kunstenaars die subsidie krijgen. Hij omarmt het apartheidsregime in Zuid-Afrika en maakt korte metten met vrijwel al zijn vroegere vrienden, bekenden en collega’s.

De mystieke fantasiewereld die zo tot de verbeelding van de Reve-lezer spreekt, lijkt een gevangenis voor hemzelf te zijn geweest, een heilloze vlucht die hem naar paranoia en steeds dieper isolement voerde.

De troost die zijn werk anderen bood, en blijft bieden, met name aan depressievelingen en melancholici, schuilt wellicht in de erkenning en herkenning van gruwelijke waarheden, die eigenlijk onverteerbaar zijn. Als lezer zou je Reve gunnen dat zijn biografie fictie was geweest. Wat een leven.. Boek dicht nu, en, indachtig de Schrijver, moedig voorwaarts!

reve wijn

Deze column werd 11 mei 2013 live voorgelezen voor MVS Radio, in het programma Lollipop, binnen de rubriek “Moedig voorwaarts!”

Breaking Bad

Sommige tv-series weten je intenser en dieper te raken dan menige avondvullende speelfilm. Toen ik voor het eerst “Breaking Bad” (AMC, 2008) zag, wist ik dat ik er veel meer van moest zien. Vanaf de pilot-aflevering was ik hopeloos verslaafd.

Het uitgangspunt alleen al is verrassend. Walter White, scheikundeleraar van middelbare leeftijd, blijkt kanker in een vergevorderd stadium te hebben, en besluit, om zijn gezin niet berooid achter te laten, de hard drug crystal meth te gaan produceren, met alle gevolgen en complicaties van dien.. Kom daar nog maar eens om bij een Hollywoodproductie! Waarschijnlijk had daarbij het script cruciale aanpassingen moeten ondergaan; had het hoofdpersonage jonger en gezonder moeten zijn, en een minder heftige bijverdienste moeten vinden, dan wel zich bezig houden met een softere drug.

“Breaking Bad” doet geen concessies aan wat op het eerste gezicht lijkt te scoren. Het gaat ook verder dan de strijd tussen goed en slecht. Het laat zien hoe morele uitersten met elkaar verweven zijn, en hoe ze in elkaar kunnen verkeren. Walter White leren we kennen als een wat sullige man met een vlassig snorretje, die hard werkt voor zijn gezin, maar sociaal vaak het onderspit delft. Zijn ziekte maakt echter dat hij wakker wordt en dingen onderneemt die hij eerder niet dorst. Zijn hervonden moed maakt hem tot een held, hoe twijfelachtig ook de vorm waarin deze gestalte krijgt.

Walter blijkt geniaal op meerdere fronten. Zijn kennis van chemie stelt hem in staat crystal meth te maken van fenomenale kwaliteit: zeer puur, kristalhelder en felblauw van kleur. Zijn strategisch inzicht levert onverwachte deals en ontsnappingen op. Als kijker is het een genot te zien hoe gewiekst en snel hij menig hachelijke situatie naar zijn hand weet te zetten, hoe hij huurmoordenaars en sadistische dealers te slim af is met zijn technisch en psychologisch vernuft. Toch verwordt Walt langzaam maar zeker van loyale vader met speciale talenten en een dubieuze manier om geld bij te verdienen tot een harde, onverschrokken crimineel. In zijn confrontaties met andere taaie mannen in de branche, zien we hem veranderen van geschrokken, walgend van grof geweld, tot zeer wel in staat te doen wat hem te doen staat in overtreffende trap. In gradaties verliest Walt zijn onschuld, en de hele serie doet daar, seizoenen lang, verslag van, de kijker als getuige daarin meeslepend.

Het knappe van “Breaking Bad” is dat er niet één punt aan valt te wijzen waar het echt fout gaat met Walt, waar hij de grens overgaat van beminnelijke held op sokken naar koelbloedige manipulator en egomaniak. De charme en weerzin die Walter, middels het briljante acteerspel van Bryan Cranston, weet op te wekken, lopen niet per se synchroon met wat de kijker zelf als goed of slecht zou bestempelen. Plotwendingen, scherpe dialogen, shots, speciale effecten, montage en muziekkeuze dragen allemaal bij aan de zinsbegoocheling. In feite transformeert de protagonist zich hier naadloos in de antagonist. De kijker laveert tussen de rol van toeschouwer, omstander en medeplichtige. “Breaking Bad” is daarmee een gruwelijk prachtig geconstrueerd ongeluk, een onttakeling waar je met verbijsterd ontzag bij staat te kijken, en ondanks je schaamte, toch geen seconde van wilt missen..

John Grant – Queen of Denmark

Soms hoor je dingen, waarvan je bij beluistering amper kunt geloven dat je ze nooit eerder gehoord hebt. Zo kwam me laatst het album “Queen of Denmark” (2010) van John Grant ter ore, en ik kreeg spontaan een déjà entendu. Of wacht.. Gedeeltelijk had ik de muziek wel degelijk eerder gehoord, als soundtrack op de achtergrond en ter afsluiting van de film “Weekend”, maar had er niet echt bij stilgestaan.

De herkenning ging echter veel verder dan het bewust horen van wat eerder onbewust was. John Grant schrijft en zingt immers vanuit het beproefde idioom van de beste singer-songwriters uit de jaren zeventig. Akkoorden, effecten en arrangementen roepen een sfeer op die doet denken aan Supertramp, Harry Nilsson, The Carpenters en Elton John. Persoonlijk vind ik dat heerlijk. Tegelijk doen sommige nummers denken aan recentere pophits. Zo kun je de melodie van “Take Your Mama Out” van Scissor Sisters over “Chicken Bones” heenleggen, en klinkt het titelnummer alsof het over zou kunnen vloeien in “Somewhere Only We Know” van Keane. Het totaal is echter zo overweldigend en puur dat ik het met geen mogelijkheid plagiaat zou durven noemen. De basale structuur van John Grants nummers komt misschien overeen met die van andere songs, maar zijn stem en teksten getuigen van bijzondere eigenheid en vaak pijnlijke eerlijkheid.

“Queen of Denmark” is het eerste solo-album van John Grant — eerder zanger van The Czars — en vertelt het verhaal van zijn persoonlijke strijd, met verlangens, homoseksualiteit, vooroordelen en diepe twijfel. Zijn tedere bariton mag dan soms klinken als karamel, hij verklankt daarmee wel zijn bitterste persoonlijke waarheid. In “JC Hates Faggots” is zijn stem omgeven door warme retro synths en een flanger, maar de tekst is die van de kortzichtige en haatdragende opvoeding die hij heeft meegekregen, en deze gaat, aanvankelijk goedbedoeld, van couplet tot couplet, van kwaad tot erger. In “Silver Platter Club” bezingt hij de jongen die het allemaal niet meezit, die nooit kan voldoen aan de verwachtingen van anderen. Een lied van een verliezer tegen wil en dank, met een luchtig en kwiek pianootje ondersteund – dat dan weer wel. “Marz” is zo zoet dat het pijn doet. De tekst bestaat voor een groot deel uit smaakjes (“bittersweet strawberry marshmallow butterscotch…”) en belichaamt daarmee een ideaal, een idylle, een zeer levendig voor te stellen, maar uiteindelijk onbereikbare droom. “It’s Easier” is geruststellend van melodie, prettig en verzachtend van klank, maar juist zo snerpend hard in wat het wil zeggen. In rechttoe rechtaan Nederlands: “Het is makkelijker voor me te geloven dat je tegen me liegt, als je zegt dat je van me houdt, of zegt dat je me nodig hebt. Ja, het is makkelijker voor me om weg te lopen en verder te gaan met mijn leven, als ik geloof dat je me bedriegt, als ik geloof dat je me op een dag in de steek zult laten..”

Deze CD van John Grant raakt op zo vele fronten.. Als ik beken dat ik me herken, is dat nog zacht uitgedrukt.. Waarom hoor ik het eigenlijk nu pas?

(met dank aan GJ Wielinga)