Alle berichten door robertweijers

Radiomaker en (audio)columnist

Compliment

Het zal je maar gezegd worden: de onversneden, onverholen waarheid over jou, vanuit de ogen van een ander. Als je pech hebt, doet het pijn, slik je even, lik je je wonden en ga je weer verder. Wie denkt die ander eigenlijk wel dat hij of zij is? Als je geluk hebt, geeft die ander je een compliment, een cadeau waar je misschien niet om gevraagd hebt of hebt verwacht, maar wat je toch, hoe dan ook, in ontvangst zult moeten nemen.

Alles went, behalve een compliment.. Laatst viel mij de eer te beurt te horen wat er nou uiterlijk mogelijk mooi zou zijn aan mezelf. In geuren en kleuren, en ook in detail, werden mijn goede, prachtige, aantrekkelijke kanten opgesomd. Van oor tot oor gloeide ik vervolgens, vooral van schaamte, en toch ook een beetje van trots. Ik schrok ervan hoe krachtig de uitwerking was van deze woorden. Uren later keek ik tersluiks in een spiegel en zag ik dat ik nog steeds straalde. Wie, ik, stralen? Des te interessanter is degene die mij al dit moois dacht te moeten toevertrouwen. Het was geen geliefde of nieuwe vlam, maar mijn dierbare lesbische radio-collega, Sudo Modo! Haar woorden deden me, hoe onwaarschijnlijk het ook mag klinken, voor het eerst sinds lange tijd echt begeerd voelen.

Sudo toonde me niet alleen het onstuimige effect van complimenten, maar ook dat het geven van complimenten een ware kunst is, niet ver verwijderd van de verleidingskunst. Het luistert uiterst nauw tegen wie je wat zegt, op welk moment en met welke intentie. Het mooie in de ander zien, gaat me nog redelijk af, maar om dat op de juiste manier naar buiten te brengen, is complexer. Alles valt of staat met toon. Een hint van een geheime agenda of een snufje overdrijving, maken van een oprecht compliment valse vleierij of ronduit geslijm. De boodschap moet concreet zijn, èn persoonlijk, maar niet te direct of zo intiem dat het als opdringerig kan worden ervaren. Het liefst klinkt het spontaan, niet te bedacht, maar tegelijk wel diep gemeend en weloverwogen. Ga er maar aanstaan..

Zelf floep ik er het makkelijkst complimentjes uit bij mensen bij wie ik me op mijn gemak voel, zoals bij goede vrienden. Onwillekeurig doet bewondering zich voor en ik ventileer deze zonder er bij stil te staan. Zo viel me laatst in een bomvolle bar op hoe handig en elegant een vriend van me toch altijd op mooie vreemdelingen van mannelijke kunne weet af te stappen, en daar dan vervolgens mee in een geanimeerd gesprek verzeild, en soms meer. Hoe doet hij dat toch, wilde ik weten. Wat had hij precies gezegd om het ijs te breken? Na enig aandringen, onthulde hij zijn geheim. Zijn openingszin bij de betreffende jongen van die avond was: “Goh, wat knap dat jij in je eentje gewoon midden tussen de mensen gaat staan!” Inderdaad, een simpel, maar doeltreffend compliment!

Mijn complimenten!

[Deze column werd 9 maart 2013 live voorgelezen voor MVS Radio, in het programma Lollipop, binnen de rubriek “Moedig voorwaarts!”]

Face-blush

Trechterborst

“Zo, meneer Weijers.. Trekt u uw shirt maar even uit.”

Ten overstaan van de thoraxchirurg en een wat verveeld ogende stagiaire ontbloot ik mijn bovenlijf, en hou daarbij gelijk mijn buik en adem in. Met het wegfrommelen van het kledingstuk is echter mijn schroom amper geweken.

Ik ben geboren met pectus excavatum, ofwel een trechterborst, en ben speciaal naar het Radboud Ziekenhuis in Nijmegen gekomen om er naar te laten kijken.
Gekleed is er weinig van te zien. Als ik mijn schouders naar achter trek, mijn rug recht houd en buikspieren aanspan, ziet mijn torso er redelijk normaal uit. Verslapt mijn aandacht en verlies ik mijn shirt, dan is er een vuistbrede deuk zichtbaar, een kuil in het midden van mijn ribbenkast, waar je met gemak een goed glas wijn in leeg kunt gieten.

Nadat mijn laatste vriendje het had uitgemaakt, grapte ik nog wel eens naar mensen die vroegen naar de oorsprong van mijn afwijkende borst, dat het kwam doordat mijn ex mijn hart had gestolen, gebroken en nooit meer teruggeven. Het was een welkome afleidingsmanoeuvre, want het effect dat de aanblik van mijn borst doorgaans heeft, is moeilijk te negeren. De vraag “Wat heb jij daar nou?” is nog prettig neutraal. De pesterijen van klasgenoten op de middelbare school en de halsstarrige houding van de gymleraar – die me dwong “gewoon” mee te douchen – waren dat niet. Ooit zei een vriend van me in alle eerlijkheid dat als hij had gehad wat ik had, hij het allang had laten opereren. Sommige noemden me mismaakt, misvormd. In de loop der jaren ben ik ook gewend geraakt aan de dwalende blik naar gestage afkeuring en van plotseling afknappen. Dat iemand je lichaam wellustig begint te scannen met zijn ogen, maar dan snel wegkijkt. Alsof hij je met zijn ogen het liefste weer zou willen aankleden.

De chirurg beschouwt me echter met een totaal andere, meer vorsende blik, vanuit zijn afstandelijke medische mores. Belangrijkste reden voor me om nu een specialist te raadplegen is een serie nieuwe ontwikkelingen. Online heb ik vernomen dat er tegenwoordig veel simpelere en minder ingrijpende methodes voorhanden zijn om een trechterborst te corrigeren. Op YouTube heb ik Amerikaanse jongens gezien, met pectus excavatums milder maar ook dieper dan bij mij, die enorm fysiek en geestelijk opknapten na het ondergaan van de nieuwe operatie. Het was ontroerend te zien hoe deze jongens groeiden in zelfvertrouwen. Zou het er voor mij ook in zitten?

De chirurg beklopt en bevoelt me met koude, wat schrale handen, gebiedt me te hoesten, en geeft me dan snel zijn advies. Mijn ribkraakbeen blijkt inmiddels te hard om nog genoeg mee te kunnen geven. Ik blijk inmiddels ronduit te oud voor zo’n nieuwe ingreep met Nuss-bar!

Beduusd verlaat ik de cardiologie-poli. Het schrapzetten voor een mogelijk pijnlijke periode blijkt vergeefs geweest. Waar ik had verwacht opgelucht te zijn, blijk ik teleurgesteld. Ik besef dat ik inmiddels zo oud ben dat ik steeds meer boten begin te missen. Het ziekenhuis waar ik nota bene ooit geboren ben, kon me toen, toen ik een puber was, en nu niet helpen. Ik moet de draad weer oppakken en ermee leren leven, ermee doorleven, zoals ik nou eenmaal ben.

Een week later wacht me toch nog een verrassing. Gelukkig blijkt mijn hart in orde. Gelukkig zijn mijn longen, waar ik me toch zorgen over maakte, gezond. In feite heb ik zelfs de longen van een twintigjarige. Dat dan weer wel.

[Deze column werd 16 februari jl. live voorgelezen voor MVS Radio, in het programma Lollipop binnen de rubriek “Moedig voorwaarts!”]

trechtersx

Voornemens

Mijn goede voornemen voor 2013 is.. om minder positief te gaan denken. Jawel. Natuurlijk lukt het nog niet zonder slag of stoot – want ingesleten patronen zijn moeilijk van hun plek te krijgen, maar toch waag ik het er op.

Jarenlang heb ik vergeefs geprobeerd positief te denken. Planken vol self-helpboeken heb ik verslonden, allerhande psychologische technieken en trucjes heb ik beproefd, tot aan kabbala en Scientology aan toe. Uiteindelijk beklijfde niets, en nu besef ik ook waarom.

Het heeft me enorm verbaasd te moeten onderkennen dat ik eigenlijk, terwijl ik toch meende behoorlijk ver heen te zijn, een heus “gezond” verstand heb. Het is dit verstand dat sterker blijkt dan welke positieve affirmatie ook. Ik kan nog zo vurig mezelf brainwashen dat ik “mooi, jong en sexy” ben — desnoods met MP3’s nachtenlang op auto-repeat – maar als ik uitga dooft die overtuiging en slaat de twijfel toe.

Mijn gezond verstand weet precies waar ik mee bezig als ik tegen mezelf zeg dat ik “mooi, jong en sexy” ben, namelijk: met brute kracht mijn diepste angst wegduwen, ontkennen dat ik misschien eigenlijk gewoon lelijk, oud en onaantrekkelijk ben. Daar zit de knoop. Als niemand verder die avond iets van amoureuze interesse toont, wordt het lastig hoog te houden wat ik mezelf op de mouw dacht te kunnen spelden. Het is slechts enkelingen gegeven om in die situatie te blijven geloven in hun onmiskenbare heerlijkheid, maar dit zijn vaak ook mensen die geen nee kunnen horen, dan wel een joekel van een bord voor hun kop hebben. Ook zijn er veel types in de gayscene die zichzelf overschreeuwen en anderen overspoelen met geforceerde gevatheid. “Kijk eens hoe interessant, populair en slim ik ben!”, terwijl iedereen eromheen de ondertoon voelt van minderwaardigheid en de angst in wezen saai, middelmatig en dom te zijn. Niet zelden was en ben ik zo’n typje..

Als het dan kennelijk steeds mislukt om negatieve gedachten over mezelf uit te bannen, om te keren of te negeren, rest me niks meer, dan die verachte gedachten te accepteren.
Ja, ik voel me vaak een sukkel. How’s that for a coming-out? Daarbij wens ik ook korte metten te maken met het self help-idee dat alle succes en geluk valt of staat met een florissant zelfbeeld. Dat je alleen wat kunt bereiken in de wereld en het leven vanuit het standpunt dat je het wel heel goed hebt getroffen met jezelf. Nee! Ik heb inmiddels te veel biografieën gelezen die het tegendeel hiervan op ontluisterende wijze hebben laten zien.

Een ander concept dat hier van afgeleid is dat “je om van een ander te kunnen houden, eerst van jezelf moet leren houden”. Anno 2013 zeg ik: fuck that! Zijn er immers niet genoeg mensen die juist doordat ze in een relatie raakten, enorm opgebloeid zijn en daarmee hun getob over hun slechte zelfbeeld hebben overstegen?

[Deze column werd 12 januari jl. live voorgelezen voor MVS Radio, in het programma Lollipop]

voornemens

Licht

Domweg ongelukkig slenter ik door de Dapperstraat. Het is grijs, kil en nat, en ik ben wanhopig, daas van de duisternis, snakkend naar een dosis onversneden daglicht. Met mijn plu struin ik langs de verregende kramen, en vang alleen mondjesmaat wat indirect licht op.

Bijna ieder jaar sluipt ‘ie erin, de winterdepressie, en iedere keer ben ik weer onaangenaam verrast als ik toe moet geven dat het me weer niet gelukt is om ‘em buiten te houden. Dat ik er kennelijk weer te veel op los heb geleefd. Dat ik me heb laten verleiden om mijn nachten te vullen met tv-series, wijn en internet. Dat ik te makkelijk ben blijven hangen bij vrienden, de kroeg, en soms ook de nachtsauna. Te veel doorwaakte nachten hebben gaten geslagen in mijn dagen, in mijn licht. En plots blijk ik futloos en ronduit bedlegerig.

Toen de tekenen daar waren, besloot ik dit jaar, het over een andere boeg te gooien. Geen pillen, geen therapie, maar het zo fel begeerde licht in huis halen. Na een paar weken dralen ging ik overstag en bestelde bij een internetwinkel een heuse daglichtlamp. Twee dagen later zou hij geleverd worden, dus nog maar twee dagen afzien. Of drie, vier, vijf..

Smachtend wachtte ik op de bezorger, die tussen negen en vijf aan kon komen. Ondertussen dorst ik amper de deur uit, bang als ik was de bestelling mis te lopen. Vier emails, drie zenuwslopende telefoongesprekken, en twee weken later, had ik nog steeds niks! Eén keer heb ik zelfs iemand binnengelaten in het trappenhuis die daar niks te zoeken had, omdat ik zo graag wilde geloven dat hij de bezorger zou zijn. Ja, hij leek een beetje op Aladdin, maar een wonderlamp, ho maar.

Wat nu te doen? Dit uitblijven van verlichting lijkt wel òplichting. Daarom dus maar de bestelling afgezegd, en de straat op, nu er nog een zweem van licht te vangen valt. Tenzij de wereld natuurlijk vergaat binnen een week — waar ik me ook wel wat bij voor kan stellen — gaan de dagen gelukkig gauw weer lengen.

Moedig voorwaarts!

licht

Breaking Bad

Sommige tv-series weten je intenser en dieper te raken dan menige avondvullende speelfilm. Toen ik voor het eerst “Breaking Bad” (AMC, 2008) zag, wist ik dat ik er veel meer van moest zien. Vanaf de pilot-aflevering was ik hopeloos verslaafd.

Het uitgangspunt alleen al is verrassend. Walter White, scheikundeleraar van middelbare leeftijd, blijkt kanker in een vergevorderd stadium te hebben, en besluit, om zijn gezin niet berooid achter te laten, de hard drug crystal meth te gaan produceren, met alle gevolgen en complicaties van dien.. Kom daar nog maar eens om bij een Hollywoodproductie! Waarschijnlijk had daarbij het script cruciale aanpassingen moeten ondergaan; had het hoofdpersonage jonger en gezonder moeten zijn, en een minder heftige bijverdienste moeten vinden, dan wel zich bezig houden met een softere drug.

“Breaking Bad” doet geen concessies aan wat op het eerste gezicht lijkt te scoren. Het gaat ook verder dan de strijd tussen goed en slecht. Het laat zien hoe morele uitersten met elkaar verweven zijn, en hoe ze in elkaar kunnen verkeren. Walter White leren we kennen als een wat sullige man met een vlassig snorretje, die hard werkt voor zijn gezin, maar sociaal vaak het onderspit delft. Zijn ziekte maakt echter dat hij wakker wordt en dingen onderneemt die hij eerder niet dorst. Zijn hervonden moed maakt hem tot een held, hoe twijfelachtig ook de vorm waarin deze gestalte krijgt.

Walter blijkt geniaal op meerdere fronten. Zijn kennis van chemie stelt hem in staat crystal meth te maken van fenomenale kwaliteit: zeer puur, kristalhelder en felblauw van kleur. Zijn strategisch inzicht levert onverwachte deals en ontsnappingen op. Als kijker is het een genot te zien hoe gewiekst en snel hij menig hachelijke situatie naar zijn hand weet te zetten, hoe hij huurmoordenaars en sadistische dealers te slim af is met zijn technisch en psychologisch vernuft. Toch verwordt Walt langzaam maar zeker van loyale vader met speciale talenten en een dubieuze manier om geld bij te verdienen tot een harde, onverschrokken crimineel. In zijn confrontaties met andere taaie mannen in de branche, zien we hem veranderen van geschrokken, walgend van grof geweld, tot zeer wel in staat te doen wat hem te doen staat in overtreffende trap. In gradaties verliest Walt zijn onschuld, en de hele serie doet daar, seizoenen lang, verslag van, de kijker als getuige daarin meeslepend.

Het knappe van “Breaking Bad” is dat er niet één punt aan valt te wijzen waar het echt fout gaat met Walt, waar hij de grens overgaat van beminnelijke held op sokken naar koelbloedige manipulator en egomaniak. De charme en weerzin die Walter, middels het briljante acteerspel van Bryan Cranston, weet op te wekken, lopen niet per se synchroon met wat de kijker zelf als goed of slecht zou bestempelen. Plotwendingen, scherpe dialogen, shots, speciale effecten, montage en muziekkeuze dragen allemaal bij aan de zinsbegoocheling. In feite transformeert de protagonist zich hier naadloos in de antagonist. De kijker laveert tussen de rol van toeschouwer, omstander en medeplichtige. “Breaking Bad” is daarmee een gruwelijk prachtig geconstrueerd ongeluk, een onttakeling waar je met verbijsterd ontzag bij staat te kijken, en ondanks je schaamte, toch geen seconde van wilt missen..

John Grant – Queen of Denmark

Soms hoor je dingen, waarvan je bij beluistering amper kunt geloven dat je ze nooit eerder gehoord hebt. Zo kwam me laatst het album “Queen of Denmark” (2010) van John Grant ter ore, en ik kreeg spontaan een déjà entendu. Of wacht.. Gedeeltelijk had ik de muziek wel degelijk eerder gehoord, als soundtrack op de achtergrond en ter afsluiting van de film “Weekend”, maar had er niet echt bij stilgestaan.

De herkenning ging echter veel verder dan het bewust horen van wat eerder onbewust was. John Grant schrijft en zingt immers vanuit het beproefde idioom van de beste singer-songwriters uit de jaren zeventig. Akkoorden, effecten en arrangementen roepen een sfeer op die doet denken aan Supertramp, Harry Nilsson, The Carpenters en Elton John. Persoonlijk vind ik dat heerlijk. Tegelijk doen sommige nummers denken aan recentere pophits. Zo kun je de melodie van “Take Your Mama Out” van Scissor Sisters over “Chicken Bones” heenleggen, en klinkt het titelnummer alsof het over zou kunnen vloeien in “Somewhere Only We Know” van Keane. Het totaal is echter zo overweldigend en puur dat ik het met geen mogelijkheid plagiaat zou durven noemen. De basale structuur van John Grants nummers komt misschien overeen met die van andere songs, maar zijn stem en teksten getuigen van bijzondere eigenheid en vaak pijnlijke eerlijkheid.

“Queen of Denmark” is het eerste solo-album van John Grant — eerder zanger van The Czars — en vertelt het verhaal van zijn persoonlijke strijd, met verlangens, homoseksualiteit, vooroordelen en diepe twijfel. Zijn tedere bariton mag dan soms klinken als karamel, hij verklankt daarmee wel zijn bitterste persoonlijke waarheid. In “JC Hates Faggots” is zijn stem omgeven door warme retro synths en een flanger, maar de tekst is die van de kortzichtige en haatdragende opvoeding die hij heeft meegekregen, en deze gaat, aanvankelijk goedbedoeld, van couplet tot couplet, van kwaad tot erger. In “Silver Platter Club” bezingt hij de jongen die het allemaal niet meezit, die nooit kan voldoen aan de verwachtingen van anderen. Een lied van een verliezer tegen wil en dank, met een luchtig en kwiek pianootje ondersteund – dat dan weer wel. “Marz” is zo zoet dat het pijn doet. De tekst bestaat voor een groot deel uit smaakjes (“bittersweet strawberry marshmallow butterscotch…”) en belichaamt daarmee een ideaal, een idylle, een zeer levendig voor te stellen, maar uiteindelijk onbereikbare droom. “It’s Easier” is geruststellend van melodie, prettig en verzachtend van klank, maar juist zo snerpend hard in wat het wil zeggen. In rechttoe rechtaan Nederlands: “Het is makkelijker voor me te geloven dat je tegen me liegt, als je zegt dat je van me houdt, of zegt dat je me nodig hebt. Ja, het is makkelijker voor me om weg te lopen en verder te gaan met mijn leven, als ik geloof dat je me bedriegt, als ik geloof dat je me op een dag in de steek zult laten..”

Deze CD van John Grant raakt op zo vele fronten.. Als ik beken dat ik me herken, is dat nog zacht uitgedrukt.. Waarom hoor ik het eigenlijk nu pas?

(met dank aan GJ Wielinga)

Oud geld

Voor mij is post van mijn uitkeringsinstantie (Dienst Werk en Inkomen) waarschijnlijk vergelijkbaar met de blauwe enveloppe op de deurmat van de gemiddelde werkende Nederlander. Je schrikt, je wilt er eigenlijk niet aan, maar je scheurt het dan toch maar open, omdat je potentieel slecht nieuws maar beter meteen onder ogen kan zien.

Laatst werd ik middels zo’n brief uitgenodigd aan te schuiven bij een rechtmatigheidsonderzoek. Wablief? De telefoniste wist me ook niet meer te vertellen dan dat het een onderzoek zou zijn naar de rechtmatigheid van mijn uitkering. Het waarom en hoezo zou ik vanzelf wel gaan merken. Mijn dag was daarmee verpest. Beduusd stond ik met de geopende enveloppe in mijn hand, terwijl de angst me bekroop. Zou de bron van mijn levensonderhoud me ontnomen worden? Zou het tapijt onder mijn voeten worden weggetrokken? Oud zeer, vaak veroorzaakt door misverstand of slordigheid, doemde weer op. Hoe serieus waren de dreigementen in deze brief? Wat was wettig, wat was formaliteit, wat was bluf?

Bij het onderzoek werd me aangewreven dat ik eerder spaartegoed verzuimd had op te geven. Een rechercheur met een doordringende blik, psoriasis en een tatoeage op zijn arm, onderwierp me aan een strenge ondervraging over mijn financiële wel en wee van de laatste jaren. Ik moest qua inkomsten en uitgaven met de billen bloot en me verantwoorden voor zaken die terug gingen tot 2006.Waar waren mijn bankafschriften vanaf die tijd? Waarom had ik die niet weten op te hoesten? Een kopie van een brief van zes jaar geleden werd me onder de neus gedrukt met de vraag of ik die herkende. En passant werd een maximum genoemd in die brief, en ik werd geacht dit te weten. Tegelijk was de brief geruststellend van aard geweest. Eigenlijk zei de brief juist dat er op dat moment financieel niks aan de hand was!

Ik voelde me als een misdadiger die in de val gelokt werd. Dubbelzinnigheid en tegenstrijdigheid vanuit de DWI werd optimaal benut om me klem te zetten, en weggewuifd als ik ze wees op hoe ze zelf mogelijk niet helemaal duidelijk waren geweest. Er werd officieel een verklaring opgesteld en uitgeprint, maar een conclusie of uitkomst werd mij zwart op wit onthouden.

Hoogtepunt was toen ik onthulde dat ik een voicerecorder mee had lopen. Waarom zou ik hen immers vertrouwen als ze mij met zoveel argwaan benaderden? Het was dom van mij om dat te bekennen. De rechercheur zei me niet gediend te zijn van dat soort “trucjes”, en verzocht me de opnamen meteen stop te zetten en te wissen. Ik probeerde me toen rustig en dienstbaar op te stellen, maar mijn hand trilde en ik was volledig in een toestand van vechten-of-vluchten beland.

Uiteindelijk bleek er geen reden om me te korten of te beboeten. Toch voelde ik me schuldig. Schuldig dat ik wat geld had kunnen sparen toen ik depressief was en een relatief erg lage huur en vaste lasten had. Schuldig dat ik het geld toen niet had laten rollen. Schuldig bovenal dat ik al zo lang mijn hand heb moeten ophouden..

Niet lang daarna lag ik ziek in bed en omgaf me met literatuur, muziek en tv-series, om niet te veel te voelen van de boze werelden buiten en binnen. Toen stuitte ik op het woordje “petulant”. Wat betekende dat ook al weer? Ik draaide me op mijn zij en greep naar het forse Engels/Nederlandse woordenboek van Van Dale. Pff.. Juist. Petulant: prikkelbaar, humeurig, gemelijk, nukkig, kregelig. Toen ik het boek weg wilde leggen, dwarrelde er warempel een blauw briefje uit. Het bleek een originele ijsvogel te zijn die daar voorbij vloog, een vergeten, in onbruik geraakt biljet van tien gulden, de opvolger van het joetje (met Frans Hals) en de voorganger van het veel saaiere eurotientje! Prachtig om terug te zien, met dat gedicht van Arie van den Berg, die felle kleuren en afbeelding van die vogel die inmiddels helaas in Nederland steeds schaarser aan het worden is. Waar had ik dit aan verdiend? Hopelijk laat de DWI dit oude geld met rust.. Most peculiar, this pecunia!

oud geld

Mlijmer

“Ho, wacht even, stop!”

Mijn zanglerares onderbreekt me tijdens het zingen van ‘Without You’ in de stijl van Harry Nilsson.

“Zing door in die rechte lijn. Je gaat geen trap op, maar je loopt bij wijze van spreken straal vooruit.”

Ik waag een nieuwe poging, maar mijn stem breekt op het punt waar ‘ie zo vaak breekt: op de derde regel van het eerste refrein, bij het aanhouden van die vermaledijde gis.

Even vervloek ik dit lied, en meteen daarmee ook mijn ambitie dit per se te willen zingen in de oorspronkelijke toonsoort. Waar ben ik eigenlijk mee bezig? Leg ik de lat niet onbereikbaar hoog? Het is toch zeker geen polsstokhoogspringen?

Mijn zanglerares blijft kalm en verandert van strategie. Ze laat me een diagram zien met een dwarsdoorsnede van keel, stembanden en strottenhoofd en tekent er drie rode pijltjes bij.

“Daar zit de klank. Daar moet het heen. Dat is de mlijmer.”

Tja, interessant, maar hoe pas ik deze kennis praktisch toe? Hoe weet ik zeker dat de klank die ik voortbreng ook via die ‘mlijmer’ gaat? Kan ik die mlijmer eigenlijk wel van binnenuit voelen?

“Het is geen gebied of ding. De mlijmer is.. Wacht!”, en mijn zanglerares gaat achter me staan.

“Zing het nu nog eens.”

Lichtelijk vertwijfeld zet ik weer in. Ter correctie tikt de zanglerares me voorzichtig aan, op verschillende plekken, mijn rug, schouder, hoofd.

“Denk aan die mlijmer!”

En plotseling snap ik precies wat ze bedoelt! Ik hoor mezelf het hele refrein zingen zoals ik het nog nooit zong: zuiver, moeiteloos, vloeiend! De mlijmer blijkt de sleutel te zijn waar ik al die tijd naar op zoek was. Hoe heb ik al die tijd zo geblokkeerd kunnen zijn? Hoe natuurlijk is het om op deze manier te zingen?

Dan word ik wakker, nog steeds vervuld van dankbaarheid en de roes iets zeer belangrijks geleerd te hebben. Zo snel ik kan, krabbel ik mijn bevindingen op een los papiertje dat naast mijn kussen ligt. Fantastisch. Dit pakt niemand me meer af..

Een paar uur later echter is het nieuwe inzicht vervlogen, en rest mij slechts het snippertje papier met dat onbegrijpelijke woord erop gekalkt..

Mlijmer?

mlijmer

Rufus Wainwright – Out of the Game

Onlangs was hij in Nederland ter promotie van zijn nieuwe album “Out of the Game”: Rufus Wainwright. Na het wat dreinende gelamenteer van zijn vorige plaat, is hij nu op de proppen gekomen met een beduidend toegankelijkere verzameling songs, die laat zien dat hij nog lang niet “buitenspel” staat als zanger en componist. Een verademing..

Out of the Game
Meteen wordt de toon gezet. Het warme geluid van producer Mark Ronson voert je mee naar de seventies. Hoewel het qua thema en melodie veel wegheeft van “Oh What a World” (het openingsnummer van “Want One”) mist het de bombastische barok. Geen bolero als finale deze keer, maar bitterzoete rock.

Jericho
Met “Jericho” komt er soul bij. Prachtige backing vocals en blazers ondersteunen dit licht meewarige nummer, over het tegen beter weten in hopen dat iemand verandert.

Rashida
Doet denken aan Queen met een extra saxofoon, en slepender gezongen. Eindigt met een langgerekte gil.

Barbara
“If you’re running from your doorstep / And you don’t know where to go to / Drinking rosé in the rain / Or listening to the same song over and over again..” Filmische teksten omgeven door een dromerige en troostrijke sfeer.

Welcome to the Ball
Laat het bal aanvangen! Feestelijk nummer met een live edge en uitgebreide blazerssectie.

Montauk
Teer liedje geschreven voor Rufus’ jonge dochter, waarin hij zich voorstelt hoe het zal zijn als ze op haar eigen benen zal gaan staan. Hoe kijkt ze dan tegen haar beide vaders aan? Zijdelings refereert Rufus hierbij ook aan zijn overleden moeder, die haar kleindochter nooit heeft kunnen zien, maar wel “wacht, ergens in de oceaan”.

Bitter Tears
Aanstekelijke retro synthpop die zich in je vasthaakt, en dat is zeker geen straf. “Oh, I’m just discussing with the morning, it’s gonna be alright..”

Respectable Dive
Lonely cowboy song, met ukelele, over spijt en het worstelen met wat geweest is of wat had kunnen zijn.

Perfect Man
Eén van de hoogtepunten. Wat begint als bedrieglijk simpele funk, ontpopt zich tot een complexe zwierige melodie. Als de zon die door de wolken breekt.

Sometimes You Need
Een ballad met Sean Lennon op akoestische gitaar. Bemoedigend en delicaat.

Song of You
Deze torch song in driekwartsmaat grijpt terug op wat zo kenmerkend is voor Rufus: zijn lang aangehouden sonore stemgeluid. Zo walst en schuifelt hij met zijn luisteraars naar de finale.

Candles
Het album eindigt met een lied ter ere van Rufus’ moeder, Kate McGarrigle. “It’s always just that little bit more / That doesn’t get you what you’re looking for / But gets you where you need to go / But the churches have run out of candles..” Ingetogen, zonder dramatische poeha, maar met subtiele versterking van accordeon en later een doedelzak, is het een gepast en intiem besluit van het album.

Terug van het feest

Terug van het feest

passeer ik de drempel

adem ik in

en moet ik verzuchten

dat het toch akelig sterk

ruikt naar eenzaamheid..

Rechtsomkeert maak ik dan

richting snackbar en weerom

en als ik dan

in eigen voetsporen treed

bevangt me de schok

dat het toch akelig sterk

naar alcoholisme ruikt

op de trap

Vele uren later schrik ik wakker

en verbaas me

over de geur van frituur

Dat het toch akelig sterk

naar thuis ruikt

na het feest