American Horror Story

Soms is het gewoon even zaak om alles te verzaken. Laat het politieke gebazel achter je, laat de actualiteiten voor wat ze zijn, en dompel jezelf voor korte tijd onder in een bad van fantasie, van fictie.

Geen beter escapisme dan escapisme dat je, onverhoeds, toch wel degelijk met je neus op de feiten drukt, maar dan op een indirecte, omfloerste manier.

Horror kan zo’n dergelijke vlucht verschaffen. Horror kan, in al zijn gruwelijkheid, je confronteren met de narigheid en hardheid van het leven, zonder je dagenlang te verlammen met vrees of te verbitteren met misantropie.

De tv-serie “American Horror Story” heeft me getroffen als een curieuze, maar waardevolle afleiding. Deze productie van Ryan Murphy en Brad Falchuk, bekend van onder meer “Glee”, heeft me enerzijds bevrijd van dagelijkse zorgen, maar anderzijds geconfronteerd met diepgewortelde onderhuidse angsten.

“American Horror Story” lijkt op het eerste gezicht makkelijk amusement, maar blijkt bij nadere inspectie toch meer te vragen van de toeschouwer dan je aanvankelijk zou denken. De serie is opgedeeld in seizoenen, die ieder een eigen sfeer, tijdsperiode en locatie beslaan. De acteurs en actrices komen seizoen na seizoen terug, maar keren weer in rollen die soms diametraal tegenovergesteld zijn aan eerdere vertolkingen.

Degene die in het spookhuis de meeste sympathie wist op te wekken, weet in het seizoen daarna, gesitueerd in een gesticht, juist de meeste walging te genereren. Waar klassieke horror meestal vrij zwart-wit goed en slecht weet af te bakenen, is het in “American Horror Story” diffuser. Zo kan het ogenschijnlijk meest menselijke en empathische personage juist de grootste griezel zijn. Zie hiervoor bijvoorbeeld Zachary Quinto, die in het tweede seizoen gestalte geeft aan een dokter, die eerst heel redelijk lijkt, maar uiteindelijk toch een van de grote monsters van het seizoen blijkt te zijn: een seriemoordenaar met een voorliefde voor staande lampen. Staande lampen, degelijk en tuttig, een beetje saai, tot je in een close-up een menselijke tepel ziet in de opgespannen huid die de lampenkap vormt..

Grenzen van betamelijkheid en goede smaak worden stelselmatig overschreden. Zo wordt er bijvoorbeeld geopperd dat Anne Frank misschien niet gestorven is in een concentratiekamp, maar gevlucht naar Amerika, alwaar ze alsnog in een gesticht belandt, waar haar verhaal niet geloofd wordt, en ze uiteindelijk oog in oog komt te staan met.. een nare kampdokter van weleer, die in het Duits laat blijken haar inderdaad te herkennen. Gruwelijk. Of wat te denken van het in beeld brengen van de beslommeringen van Madame Delphine LaLaurie, een bekende figuur binnen de 18e eeuwse bourgeousie van Louisiana, die zwarte slaven verminkte, martelde, en zich, als ritueel voor het verkrijgen van eeuwige jeugd, insmeerde met hun verse bloed?

Gelukkig is de overdrijving genoeg doorgevoerd. Gelukkig is er schoonheid, humor en ironie om de heftigheid te temperen. Een actrice als Francis Conroy, eerder bekend van haar rol als moeder in “Six Feet Under”, krijgt in de serie ruim baan om zich van vele verschillende kanten te laten zien. Binnen het ensemble van steeds nagenoeg dezelfde acteurs en actrices, maar in steeds totaal andere rollen, blinkt zij uit: van de vermoeide dienstmeid in seizoen 1, een klassieke verbeelding van troostende godin des doods in seizoen 2, tot een hippe fashionista op leeftijd met Brits accent, artistieke bril en rood haar in seizoen 3.

Enige minpuntje vind ik de plotlijnen. Waar deze bij de meeste horror en de meeste series redelijk logisch verlopen, weet je bij “American Horror Story” nooit waar je aan toe bent. Wie goed is, wie slecht is, maar ook: wie belangrijk blijkt voor het verloop van het grotere verhaal, het kan vaak alle kanten op, met de mogelijkheid dat het een volgende aflevering weer helemaal anders is.

Natuurlijk kan alles, maar kan echt álles? Het is een dunne lijn tussen ongeloofwaardigheid en gelukzalige verbeelding.

Deze column werd zaterdag 8 februari 2014 voorgelezen in het radioprogramma KULTI KULTI, aflevering 07

Advertenties

Danstype

Toen ik onlangs mee mocht doen aan een masterclass van jazzzangeres Ilse Huizinga bij Cantina Vocaal, werd ik verrast door de opdracht die ik van haar kreeg: of ik het instrumentale tussenstuk van Queens “I’m Going Slightly Mad” (wat ik daarvoor had gezongen) wat meer fysiek in zou kunnen vullen.

Een beetje onwennig en wat opgelaten, liet ik toen, ten overstaan van het publiek, mijn geïmproviseerde dans van de waanzin zien. Freddie Mercury’s briljant-manische dans uit de videoclip indachtig, kwam ik zelfs een moment los van mijn niet onaanzienlijke zenuwen. Mijn innerlijke criticaster zweeg even en liet mijn lichaam doen wat het voelde dat het moest doen. Gek genoeg beïnvloedde het mijn zang op een positieve manier. Mijn adem werd lager en dieper en mijn houding minder gespannen. Het deed me ook terugdenken aan hoe ik een jaar geleden ineens vleugels leek te hebben gekregen tijdens het zingen en dansen van “Wuthering Heights” van Kate Bush op het podium van De Trut.

Ooit won ik als Michael Jackson de eerste prijs in een playbackshow. Zonder al te veel na te denken vervloeide ik met de groove en de energie van het nummer “Bad”. Tegenwoordig echter gaat het me minder makkelijk af, en kijk ik liever in bewondering toe hoe nu mijn neefjes vol vuur dansen op “Smooth Criminal”.

Tijdens een avond uit, ging me laatst dagen hoe zeer ik afgedwaald ben van wat “een avond uit” oorspronkelijk inhield. Waar ik nu met vrienden meestal aan de rand van de bar sta te praten, met een wijntje in de hand, zei ik vroeger amper boe of ba, maar bevond ik me bijna onafgebroken op de dansvloer. Ik kon op alles dansen, urenlang, met alleen af en toe een pauze om een glaasje cola te drinken. Het dansen ging regelmatig automatisch ook over in sjansen, en zo kwam vaak geheel organisch van het een ook nog het ander, met deze of gene.

Kennelijk ben ik langzaam van de dansvloer afgedropen, en zijn de gewoontes van slempen en hangen er geleidelijk ingeslopen. Ik kan me geen concreet voorval voor de geest halen, waarop ik het dramatische besluit moet hebben genomen niet meer met de voetjes van de vloer te gaan.

Is het depressie, mijn leeftijd, het verlies van onschuld geweest? Lange tijd weigerde ik te dansen, omdat ik nou eenmaal niet lekker in mijn vel zat. De paradox daarvan is dat ik me, juist als ik door anderen min of meer overgehaald wordt te dansen, na een tijdje plotseling toch weer wat vrolijker en hoopvoller ga voelen.

Misschien moet ik maar de wijze woorden van de inmiddels 80-jarige Yoko Ono ter harte nemen: “I think dance is a very important way to go through life. If you are marching, you are likely to be shot. If you are dancing, it’s harder to shoot you. I love to dance as well. I love to see people dance, which makes their body react in joy, unlike when they are marching.” Met 11 nummer-1-hits in de Billboard Hot Dance Club Play Chart, laat zij zich door niemand zeggen dat ze niet zou moeten dansen. Sterker nog: haar nieuwe single en video zijn een eigenzinnig en warm pleidooi voor het plezier dat dansen kan geven!

“When your heart is dancing, your mind is bouncing!! Bounce, bounce, bounce, bounce…”

Deze column maakte, in gesproken vorm, deel uit van het radioprogramma KULTI KULTI binnen de rubriek “Moedig Voorwaarts!” (uitzending: 9 november 2013)

Mannen met baarden

“Al die willen te kaap’ren varen, moeten mannen met baarden zijn. Jan, Pier, Tjores en Corneel, die hebben baarden, die hebben baarden. Jan, Pier, Tjores en Corneel, die hebben baarden, zij varen mee.”

Laat aan mij die boot dan maar lekker voorbij gaan..

De baard is alomtegenwoordig. Wat begon als een hype onder jongeren die zich helemaal hipster de pipster voelden, is ontaard in een onmiskenbare verandering in het straatbeeld. Heel veel mannen doen inmiddels mee aan de wildgroei en laten hun gezichtshaar welig tieren. Een modesite als Adversus.nl voorziet daarbij ook nog eens dat de baarden alleen nog maar voller en langer zullen worden de komende tijd.

Nooit gedacht dat ik het nog mee zou maken te mogen leven in een tijd waarin Raspoetin, ZZ Top en Vader Abraham toonaangevende stijliconen blijken te zijn. Getogen in de jaren ’80, wist ik immers niet beter dan dat baarden ouderwets en achterhaald waren. Baarden waren in mijn ogen sullig en suf, en pasten perfect bij sullige en suffe leraren, tv-presentatoren en andersoortige manspersonen die je toen zoal tegenkwam. Baarden wekten ook argwaan bij me op, alsof de dragers ervan iets te verbergen hadden, of dienden ze soms ook ter compensatie van een of ander gebrek?

Nu ik zelf de leeftijd heb bereikt van die baardapen, waar ik als kind zo vreemd naar keek, schrik ik nu als ik jongemannen zie die zo nodig hun baard denken te moeten opkweken. Wat zonde van al die mooie gezichtjes! Wat vreselijk dat al die frisheid bedorven moet worden door zo’n ouwelijke laag weerbarstig vlas! Bah!

In bed lijkt me ook geen lolletje. Lig je daar met schrale lippen van het zoenen naast je schatje, broeierig heet met die kriebelende haren onder het dekbed, en stuit je op dat restje erwtensoep dat ergens tussen neus en kin is blijven hangen. Dat wordt vlooien. Brrr…

Nou moet ik bekennen dat er ook uitzonderingen zijn. Er zijn mannen wier gezicht wel degelijk opfleurt door een baard. Zie bijvoorbeeld minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Ronald Plasterk, die inmiddels weer gladgeschoren is, maar een tijdje terug met een baard verscheen, die zijn wat zwakke kin wat meer kracht gaf. Voor de meeste mannen echter doet het esthetisch niet bijster veel, en als het wat doet, is het, mijns inziens,  eerder een verslechtering. Net zoals het hoofd kaal scheren niet voor iedereen flatteus is, is een baard dragen dat ook niet. Naast de vorm van het gezicht is ook het patroon van de haarinplant belangrijk. Je kunt wel graag de meneer uit willen hangen, maar als er onregelmatige peper-en-zoutkleurige plukken uit je wangen steken, met willekeurige leemtes daartussen, zie je er, in de meeste gevallen, toch meer uit als een onverzorgde zwerver dan een waardig heer.

Ach, de mode, de mode.. Tegenwoordig heeft de gemiddelde moderne man meer haar op zijn wangen dan tussen zijn benen: van boven barbarian, van onder boyzilian.. Het zal nog lang wennen zijn, maar uiteindelijk zal ook mijn smaak zich geleidelijk omvormen. In feite kan immers iedere soort lichaamsbeharing zowel gevierd als vervloekt worden. Misschien wordt stug rughaar wel dè nieuwe trend, of worden over vijf jaar wimpers massaal weggeëpileerd, wie zal het zeggen?

mannen-met-baarden

Deze column maakte, in gesproken vorm, deel uit van het radioprogramma KULTI KULTI onder de rubriek “Moedig Voorwaarts!” (uitzending: 12 oktober 2013)

Focus

Geef mij een hak, en ik spring ervan op de tak. Onderbreek me maar als ik wat zeg, vraag me dan alsnog wat ik nou wilde zeggen, en je hebt groot kans dat de gedachte me al weer ontschoten is. Kom me op straat tegen en roep mijn naam. Ik zal je verbluft aankijken, groeten, maar terwijl we praten zullen mijn ogen toch wat afdwalen..

Vaak word ik wakker en verkeer ik urenlang in sluimerstand, flitsen er complexe theorieën door mijn hoofd die bewust mentaal niet bij vallen te benen. Soms surf ik online terwijl ik tegelijk een film aan het kijken ben en nadenk over wat straks te eten. Soms schrijf ik een column als deze en heb ik moeite om op hetzelfde spoor te blijven. Dan moet ik mezelf keer op keer terugfluiten.

Waar wilde ik het ook al weer over hebben? O ja. Focus, concentratie, die vage voorwaarde die onontbeerlijk is voor vrijwel alles wat een mens kan willen of doen, die schimmige steunpilaar van daadkracht, efficiëntie en doelgerichtheid.

Gebrek aan focus wekt verwarring op, en het besef van die verwarring maakt soms wanhopig. Ik wil zo graag bij de les blijven dat ik juist daardoor regelmatig vergeet om op te letten. Tja..

Onlangs vernam ik dat de ontdekker van Attention Deficit Hyperactive Disorder, ofwel ADHD, op zijn sterfbed schijnt te hebben bekend dat de door hem beschreven ziekte eigenlijk een fictieve aandoening is – een onthutsende ontboezeming, zeker gezien de populariteit van de diagnose en het daarbij massaal voorschrijven van medicatie. Hoewel ik zelf een tijd vermoed heb ADD, de variant zonder hyperactiviteit, te hebben, wees onderzoek toch uit dat dat niet zo was, hetgeen me niet speet, maar ook niet echt deed juichen.

Wat me rest is doorstommelen en doorrommelen, al manoeuvrerend door de schade en schande heen. Steeds vaker kan ik gelukkig de schande van me afschudden door de nutteloosheid ervan in te zien. De schade blijkt ook relatiever en subjectiever dan ik voorheen dacht. Mijn vermogen tot concentratie mag dan minder zijn dan bij de meeste mensen, het blijkt niet onmogelijk om de grenzen op te zoeken en langzaam maar zeker ook wat te verschuiven.

Nieuwe ontwikkelingen en inzichten over neuroplasticiteit stemmen me hoopvol, motiveren me te experimenteren. Tientallen uren heb ik inmiddels doorgebracht met software die wetenschappelijk bewezen verbetering op het menselijke werkgeheugen heeft. Het zogenaamde Dual N-Back is een oefening die je traint om tegelijkertijd posities en letterklanken in een grid te onthouden. Het is lastig, vermoeiend, oncomfortabel, maar dat is juist de kracht ervan.

Hoe maakbaar zal mijn brein uiteindelijk blijken te zijn? Hoe rekbaar mijn focus? Valt dat ooit te weten? Mijn nog steeds gestaag stijgende scores inspireren me in ieder geval om te blijven oefenen en te blijven zoeken.

Afbeelding

Deze column maakte, in gesproken vorm, deel uit van het radioprogramma KULTI KULTI onder de rubriek “Moedig Voorwaarts!” (uitzending: 14 september 2013)

Zomerzon

O zon, o zoete zomerzon.. Wat heb ik jou miskend.. Lang heb ik niks van je moeten hebben: je warmte, je straling, je volle gloed. Jarenlang sloot ik deuren en gordijnen als jij je weer liet gelden, bleef ik met opzet binnenshuis als jij op je felst was.

Ik achtte je te min om een aparte plank in mijn kledingkast voor in te ruimen. Mijn enige korte broek is slechts bestemd voor de sportschool, en de meeste kleding draag ik het hele jaar door. Jawel, dat T-shirt met korte mouwen draag ik herfst, winter, lente en zomer! De zeldzame keren dat ik me iets aan je gelegen liet liggen, sloeg ik door naar het andere uiterste: scharrelde ik het donkerste shirt met de langste mouwen op, opdat er zo min mogelijk van je op mijn huid zou vallen.

Ik voelde me wellicht te goed voor je. Meewarig keek ik naar dat bakken op stranden, dat grillen in parken en dat roosteren onder het kunstmatige zonnekanon. Dat anderen om me heen uit vrije wil huidkanker riskeerden voor een schijtbruine toet, kwam me als absurd voor. Genoeg wetenschappelijke literatuur had toch immers onomstotelijk aangetoond hoe schadelijk jouw schijnsel is?

UVA, UVB, doe mij maar UV-Nee! Ik heb genoeg van mijn moedervlekken van kleur zien verschieten onder jouw invloed. Herinnerde me ook al te goed die keer dat je me zo gruwelijk verschroeide. Alleen al mijn niet onaanzienlijke ijdelheid dreef me hard hollend van je heen. Als grootste aanstichter van huidveroudering vermeed ik je fanatiek, vaak ook met verve. Aan mijn huid kon niemand het jaargetijde aflezen. Ik was er zelfs een beetje trots op, hoe zichtbaar onaangedaan ik was van jou.

Dit seizoen, dat onverwacht toch nog de boeken in zal gaan als zomer 2013, voltrok zich echter een ommekeer. Mijn persoonlijke zonnewende. Waarschijnlijk doordat mooie dagen dit jaar zo schaars waren, en aanvankelijk ook erg lang op zich lieten wachten, was er een bijna manische ondernemingslust onder enkelen van mijn vrienden opgekomen. Of ik zin had samen in het Vondelpark te gaan zitten. Of ik zin had op een stinkkleedje onder de boom nabij mijn oude studentenhuis te gaan liggen. Tja.. Werktuiglijk wimpelde ik een en ander af, hartgrondig overtuigd dat ze maar beter een andere gek hiervoor bereid konden vinden..

Mijn behoefte aan gezelschap won het uiteindelijk toch van mijn weerzin. Of.. was het toch soms het vooruitzicht op een goed glas koele witte wijn? Vrije tijd, prettig gezelschap, een drankje en een knabbeltje erbij, waren genoeg om me toch over te halen. Mijn gemits en gemaar over de zon werden gepareerd met logisch klinkend verweer. Ik hoefde toch niet te zonnebaden als ik dat niet wilde? Ik kon toch ook lekker in de schaduw blijven?

Ik besloot het er dan toch op te wagen, maar wel op mijn manier en op mijn voorwaarden. Je heetste uren omzeilend, sprong ik pas op de fiets na vieren, en wapende me daarbij met zonnebril, lange broek, pet, en een dikke laag zonnebrand, factor vijftig — die me zelfs nog witter deed lijken dan ik al was. Het Vondelpark, en dan met name de Rozentuin (toch een bekende plek waar ook veel homo’s samenkomen) bleek een verademing te zijn. Waar ik opgefokte drukte verwachtte, vond ik ontspannen groepjes. Waar ik me schrap zette voor een vleeskeuring, bleek iedereen juist heel voorkomend en charmant. De frase “I beg your pardon, I never promised you a rose garden” doemde op in mijn kop en liet me even niet meer los. Later, thuis, bijkomend van alle gezelligheid, voelde ik me rozig, voldaan, zelfs een behoorlijk tikkeltje vrolijk. Een dag later werd ik wakker met.. ja, iets wat ik het best kan omschrijven als montere hoop. Ik, een goed humeur?

Nu besef ik dat ik nagloeide van de zon, en dat die natuurlijke dosis vitamine D me, tegen al mijn argwaan en afkeer in, blakend en in geestelijk goede doen hebben geholpen. Het voelde een beetje als verliefd worden. Alsof ik gekust was door iemand van wie ik verwacht had te worden gebeten..

O zomerzon.. Je bent misschien niet die gore vijand waar ik je voor hield.. Je grootste aanbidder zal ik niet meer worden, maar ik zal je zeker minder uit de weg gaan!

Afbeelding

Helende zang

Het had zo mooi geklonken.. Helende zang. Na jaren soebatten en voortmodderen op het psychische vlak, kreeg ik het onlangs in de schoot geworpen: vijf sessies helende zang, compleet met nazit en uitgebreide evaluatie. Mijn zanglerares, die ook sjamane is, bood me aan samen met haar de heilzame kracht van zang te verkennen. In plaats van zangoefeningen en vocale aanwijzingen, begeleidde ze me door een serie visualisaties en verklankingen, toegespitst op mijn specifieke psychische problemen.

Gezeten op een stoel met een zacht kussentje, stelde ik me voor hoe mijn kruin verbonden was met de zon, mijn lijf een veerkrachtige boom was, en mijn voeten geworteld waren in de aarde. Adem in.. adem uit.. Alle emoties die zich aandienden liet ik komen en gaan. Tot zover was het erg rustgevend en bemoedigend. Ik schreef een bladzijde in mijn schoolschrift “Helende Zang” vol met associaties: “Op zoek naar stilte. Stuiten. Schuiven. Mild. Smelten. Fijn zand. Genoegdoening. Vervlieging. Fantasma.” Met het daadwerkelijke verklanken werd het ineens een stuk minder luchtig. Ik kreeg de opdracht vrije geluiden te laten opborrelen en naar buiten te brengen. Ik humde, neuriede wat af, zonder precies te weten wat ik aan het verklanken was.

Toen het echter terug begon te grijpen op de concrete psychische problemen, die ik had genoemd in het voorgesprek, bleef ik er in. De klanken van zelfhaat, van walging, van zelfdestructie, namen het over brachten me in een toestand van ontreddering. Toen ik daarop de suggestie kreeg om “alles wat ik niet meer nodig had naar het transformatievuur diep in de aarde te sturen”, zag ik flitsen van mijn eigen lichaam, diep in de grond, met de grafsteen er bovenop. Ik voelde me willoos, gebroken, gegijzeld door de pijn.

Het duurde zeker drie weken voor ik weer een beetje de oude was. Mijn helende zanglerares bood me zeker troost en begrip, maar daarmee werd de aangewakkerde pijn niet minder. Dit was opnieuw een teleurstelling, een nieuwe kraal aan het snoer van gefaalde psychologische experimenten. Was het naïef van me geweest te hopen dat helende zang iets kon bereiken, waar voorheen cognitieve gedragstherapie, schemagerichte therapie en groepstherapie vooral averechts hadden gewerkt?

Toch heb ik nu geleerd wat níet werkt voor mij. Alle therapeutische ellende die ik heb ervaren komt eigenlijk neer op het te veel oprakelen van oude pijn. Er is een subtiel, maar cruciaal verschil tussen de pijn voelen, onder ogen zien, serieus nemen, en anderzijds de pijn opblazen, dramatiseren, ruim baan geven, en daarmee zelfs voeden. Een therapie dat die laatste effect sorteert, is niet alleen vreselijk om te ondergaan, maar voegt ook nog eens extra trauma toe.

Ondertussen gaan de zanglessen gewoon door. Gek genoeg blijk ik veel meer op te knappen van een half uur lekker zingen, dan van op zang gebaseerde therapie. De meest helende zang vind ik uiteindelijk in zang zelf. In zelf zingen, meezingen of genieten van andermans zang.

helende zang

Deze column werd 8 juni 2013 live voorgelezen voor MVS Radio, in het programma Lollipop, binnen de rubriek “Moedig voorwaarts!”

Het schuldige leven van Gerard Reve

Het is volbracht.. Net het laatste deel van de grote Gerard Reve-biografie van Nop Maas uitgelezen. Joop Schafthuizen, Reves laatste levenspartner, had ongelijk toen hij zei dat het alleen maar over geld, drank en seks zou gaan. Hoewel het daar grotendeels wel op neerkomt, bevat het boek toch ook een flinke dosis rechts-extremisme, paranoia en pillen. Het lezen van deel drie was een ontluisterende ervaring.

De gedegenheid waarmee Nop Maas het leven van Reve heeft weten te boekstaven is soms duizelingwekkend. Drie delen van ieder zo’n achthonderd pagina’s, gedrukt op vliesdun papier, dat meestal gebruikt wordt voor bijbels, zetten uiterst nauwgezet alle feiten en weetjes op een rij. Wat de Volksschrijver at, hoeveel dozen goedkope wijn van het merk Prokupac hij er in een bepaalde periode wist door te jagen, hoe hij aan bepaalde grondstoffen voor een verbouwing kwam, geen detail blijft onbenoemd. Als lezer verneem je van trivialiteiten die je binnen je eigen recente leven allang bent vergeten. Waarom zouden we dat allemaal moeten weten van Gerard Reve?

Wie een grondige analyse verwacht van karakter en drijfveren, komt bedrogen uit. Nop Maas duidt niet, maar distilleert vooral informatie uit persoonlijke brieven van Reve, en dient deze op in chronologische volgorde. De data maken dat je als lezer steeds sneller neigt te gaan lezen, alsof de persoonlijke preoccupaties van Reve je op de hielen gaan zitten.
De feiten en bevindingen rond Reves verblijf op zijn Geheime Landgoed zijn ronduit benauwend te noemen. Daar zat hij dan, in de verzengende zon te ploeteren aan een stenen muur van een afgelegen bouwval, alleen met zijn wijn en zijn wanhoop. Op de achtergrond was er dan Joop Schafthuizen, die hij eigenlijk lichamelijk niet aantrekkelijk vond, die, naar zijn zeggen ‘symboolblind’ en half doof was, en met wie hij eigenlijk geen fatsoenlijk woord kon wisselen. Ze konden niet zonder, en niet met elkaar..

Naarmate de bladzijdes vorderen, vervliegt dan ook nog iedere hoop op mildheid of nuance. Reve fulmineert in brieven tegen uitkeringstrekkers en kunstenaars die subsidie krijgen. Hij omarmt het apartheidsregime in Zuid-Afrika en maakt korte metten met vrijwel al zijn vroegere vrienden, bekenden en collega’s.

De mystieke fantasiewereld die zo tot de verbeelding van de Reve-lezer spreekt, lijkt een gevangenis voor hemzelf te zijn geweest, een heilloze vlucht die hem naar paranoia en steeds dieper isolement voerde.

De troost die zijn werk anderen bood, en blijft bieden, met name aan depressievelingen en melancholici, schuilt wellicht in de erkenning en herkenning van gruwelijke waarheden, die eigenlijk onverteerbaar zijn. Als lezer zou je Reve gunnen dat zijn biografie fictie was geweest. Wat een leven.. Boek dicht nu, en, indachtig de Schrijver, moedig voorwaarts!

reve wijn

Deze column werd 11 mei 2013 live voorgelezen voor MVS Radio, in het programma Lollipop, binnen de rubriek “Moedig voorwaarts!”

%d bloggers liken dit: