Imago

Een beeld zegt meer dan duizend woorden.. Misschien wel juist daarom vervloek ik beeltenissen van mezelf. Wil er iemand een spontane foto maken met mij erbij? Liever niet. Het voelt alsof ik te veel prijsgeef in het ogenblik. Het helpt enigszins als ik, kort voordat het kiekje genomen wordt, kan zien wat er ingekaderd staat, zodat ik mezelf wat kan bijstellen. Toch voel ik me altijd lichtelijk genomen, zo niet betrapt.

Gelukkig geloof ik niet in een ziel, anders zou ik zweren dat ik meerdere malen bestolen ben, toen  iemand het nodig vond me binnen diens gevoelige plaat te betrekken. Het ergste was nog wel die noodgedwongen pasfoto voor mijn nieuwe ID-kaart, hartje winter genomen, met de doem en bevroren dauw nog in mijn haar. De geroutineerde, en ongetwijfeld bekwame fotograaf binnen de elektrische poorten van het Amsterdamse stadhuis, knipte een portret dat me onaangenaam trof in natuurgetrouwheid: een rode neus, opgeblazen gezicht en wallen om U tegen te zeggen. Ja, dat klopte zeker met wat ik vaak in de spiegel zie als ik ’s ochtends net wakker ben. Maar moet ik nu blij of verdrietig zijn dat deze kaart geldig is tot 2027?

Griezelig wordt het als ik zie wat neurale netwerken en kunstmatige, zelflerende systemen nu vermogen. Gek hoe parameters van Facebook me eerder weten te herkennen dan levende mensen de behoefte voelen om me te taggen. Akelig te horen dat er onderzoek gedaan wordt naar fysieke kenmerken van homoseksualiteit in foto’s. Zal ooit een snapshot  van enkel mijn kaaklijn genoeg zijn om me te brandmerken? Komt er in de toekomst plastische chirurgie gespecialiseerd in de correctie van resting gay face? Laten we het niet hopen..

Vooralsnog is er verwondering en plezier om de techniek. Ik maak een selfie en draai deze door FaceApp. Parallelle universa openen zich  daarna voor me. Nooit zo gedetailleerd  kunnen bedenken hoe ik er uit zou zien als kale man met baard, of als vrouw, als aantrekkelijke man of als bejaarde versie van mijn toekomstige zelf, maar FaceApp schotelt me al deze opties voor, en het lijken me stuk voor stuk mensen van vlees en bloed.

Als dit de lachspiegels zijn van deze tijd, zijn ze verdomde waarachtig.  Oh, opa Wielie! Ik zie hem ineens terug in een simulatie, en mis hem, met zijn pak, zijn sigaar en stok.. Maar ik ben het stiekem zelf..

Deze tekst werd zaterdag 14 oktober 2017 voorgelezen in het kader van de rubriek “Moedig Voorwaarts” binnen aflevering 51 van het radioprogramma Kulti Kulti.

Advertenties

Patronen

Soms ben ik de kluts kwijt, weet ik niet goed meer wat boven of onder is, wat begin of einde is, en wat ik ook weer wilde. Het overweldigende wereldnieuws vol dreiging en het vele geschreeuw met de weinige wol in de sociale media maken het niet bepaald makkelijker..

Voor ik verval in navelstaren, zoek ik afstand. Ik peuter het pluisje uit mijn navel, laat het los in het luchtledige, en probeer mijn leven te beschouwen als een buitenstaander zou doen. Als een handwerkjuf inspecteer ik de broddellap van mijn bestaan, en keur ik de stijl, de vlijt en de achterliggende sjablonen.

Het weefsel van mijn dagelijks leven is een merkwaardige mengeling van regelmaat en chaos. Kluwens van gewoontes en routines glijden zo onder mijn handen door.  Ik zie saaie regelmaat, ongeïnspireerde herhaling en weerbarstige knopen van verslaving. Waar is in hemelsnaam mijn stofschaar? Waar is mijn tornmesje?

Soms is de tijd rijp om risico’s te nemen. Wat nu als ik deze appelgroene draad lostrek? Rafelt dan de rest van mijn wezen gelijk mee? Ja, laat ik het toch doen! Zien wat er gebeurt..

Een maand drastisch minder koolhydraten eten, blijkt genoeg om de naden van mijn voormalige zijn te verleggen. Vijf kilogram aan vadsigheid vervliegt, mijn riem verlangt een gaatje minder. Ik ben mezelf kennelijk aan het “vermaken”, en alles verandert inmiddels met me mee.

Transformatie schuilt in de verandering van dagelijkse patronen. Hoe gestager ik de nieuwe lijn vervolg, hoe consequenter ik daadwerkelijk iemand anders zal worden. Insteken, omslaan, doorhalen en af laten glijden..

Deze tekst werd zaterdag 12 augustus 2017 voorgelezen in het kader van de rubriek “Moedig Voorwaarts” binnen aflevering 49 van het radioprogramma Kulti Kulti.

Soepzootje

Met mijn handen in het haar tuur ik naar het scherm. De karakters dansen voor mijn ogen: L-G-B-T-Q-Q-I-A-P-2. Ik vergelijk de verschillende varianten en verval in twijfel. Welke doet nu het meeste recht, omsluit de meeste mensen? Moet er een extra “plus” bij voor nu nog onvoorziene of onbekende groepen? Hoe ver ga ik mee in de uitbreiding? Kan het wellicht toch wat korter en eleganter?

Voor de zoveelste keer worstel ik met de aanduiding van mijn radioshow Kulti Kulti voor MVS Gaystation. Op de Facebook-fanpagina verander na lang gepeins LHBTQ in LGBT+, en vraag me nu al af hoe lang dit compromis goed zal blijven voelen tot ik het opnieuw zal aanpassen.

Er is anno 2017, voor en rond wat voorheen Gay Pride heette, veel te doen om benamingen. In de sociale en massamedia wordt gesteggeld, en soms ronduit gebekvecht over het toevoegen of juist weghalen van letters, die de doelgroep beschrijven. Al geruime tijd is er weerstand tegen wat de “alfabetsoep” wordt genoemd. De kritiek is dat er te veel letters zijn bijgekomen, dat het oorspronkelijke recept aan smaak heeft ingeboet en de bouillon, bij wijze van spreken, is verwaterd.

De gemeenschap waaromheen Pride Amsterdam nu georganiseerd is, is onderling eigenlijk best een soepzootje. Zo heeft het COC gekozen afstand te doen van de letterbrij door deze, onder het mom van inclusiviteit, flink door te koken tot een meer gebonden geheel. Daarbij is de benaming “gay”, analoog aan andere wereldsteden, verwijderd uit de titel van het evenement, omdat niet iedereen zich daar genoeg in blijkt te herkennen.

Aan de andere kant voelen activisten van het eerste uur zich op hun beurt gepasseerd door het schijnbaar wegpoetsen van de geschiedenis en de ooit zo van belang geachte zichtbaarheid. Er gaan stemmen op om de focus terug te brengen op de seksuele diversiteit (waar het ooit om begon), minder op gender, of juist aparte prides te organiseren voor de diverse groepen om ieders eigenheid te benadrukken.

Verder wordt er gekibbeld over het vermeende commerciële karakter van de Pride. De samenstelling van de boten in de canal pride wordt onder de loep genomen, de organisatie en de bedrijven krijgen volop verwijten. Idealisme botst met commercieel pragmatisme, meer inclusief met meer exclusief, politiek correct met traditioneel. Ondernemers in de Reguliersdwarsstraat wijzen in hun frustratie naar de gemeente, en die wijst weer terug. Er zijn bewoners die beweren overlast te ondervinden, en er zijn mensen die zeggen dat die bewoners niet zo moeten zeuren. Om over de verdeeldheid over genderdiversiteit nog maar te zwijgen!

Als Amsterdam Pride een soepje is, dan is het een soep waar iedereen een mening over heeft:

“Gatver, er zit toch geen vlees in, hè?”

“Bah, die vermicelli blief ik nie!”

“Iew, wat een naar mondgevoel..” en

“Noem je dit nou heus.. soep?”

Toch zullen we er samen uit moeten zien te komen. Niemand heeft gelukkig het patent op wat Pride moet zijn. Ieder kruidt en verfijnt zijn, haar of hun soepje op geheel eigen wijze. Geen zin in de botenparade? Ga dan iets cultureels doen, kies iets uit de vele andere activiteiten of verzin desnoods zelf iets wat jij Pridewaardig acht. “Een beetje van mezelf.. en een beetje van..” het COC, een snufje Amsterdam Gay Pride, en een flinke scheut vrienden en bekenden!

“This is my pride”, inderdaad! Hopelijk wordt de soep niet zo heet gegeten als ze wordt opgediend..soepzootje

 

Sgt. Pepper 2017

Mijn frambozenijsje smelt sneller dan ik likken kan. Mijn indrukken zijn veelvuldiger dan ik wat ik neerkalken kan. Ik luister naar Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band van The Beatles, en raak overweldigd.

50 jaar na het verschijnen van de oorspronkelijke LP in de zomer van de liefde, open ik mijn oren voor de nieuwe stereomix. De perfecte gelegenheid vind ik aan het einde van de dag, als ik naar buiten stap en het klassieke album al wandelend tot me neem, over de opgebroken Dijksgracht, het Java-eiland en de Oostelijke eilanden van Amsterdam.

Het voelt alsof ik in mijn eigen voetstappen treed. Terwijl de iepenzaadjes langsdwarrelen, ga ik terug in de tijd. Ik ben weer even in Groesbeek, op mijn jongenskamer, waar ik de LP van de bieb heb geleend en op een cassette op heb genomen. De muziek is als honing voor mijn oren. De psychedelische klanken zijn een elixer van vrijheid. Lucy In The Sky With Diamonds is als een poort naar een wereld waarvan ik het bestaan niet had kunnen vermoeden.

Ook bezoek ik in gedachten mijn peetoom Ton. Hij is de grootste Beatlesliefhebber in de familie en wist me al vroeg aan te steken met zijn passie. Hij laat me als jonge jongen de hoes van Sgt. Pepper zien, en stelt me gerust: Nee, Paul McCartney is niet verongelukt en vervangen door een dubbelganger! Geduldig legt hij me uit hoe onwaarschijnlijk die theorie is. Achter hem staat een poster uit het witte dubbelalbum, en naast hem rijen cassettes met de vele honderden prachtige liedjes en instrumentale nummers die hij zelf schreef, geïnspireerd door die intuïtieve autodidacten uit Liverpool. Later, als ik een puber ben met artistieke aspiraties, weet hij me op zijn beurt moed te geven om door te gaan met schrijven en zingen.

Anno 2017 krijg ik kippenvel bij het horen van de nieuwe mix. Zeer smaakvol en kundig heeft Giles, de zoon van de originele producer George Martin, de kwaliteiten van de monomix gebruikt voor een nieuwe stereoremix. Waar de oude stereoversie een haastklus was, met een grof, onnatuurlijk stereobeeld, biedt de remix een kristalhelder en prettig alternatief, en, wat mij betreft, zeker een verbetering. Het wordt hierdoor minder verheven en klinkt het meer dan ooit als een rockband die op staat te treden.

“It’s getting better all the time” is bitterzoet. Nog nooit klonken die woorden zo puur. Dit geldt ook voor de keerzijde: de cynische tegenwerping “it can’t get no worse” van John Lennon. Terwijl er de laatste tijd gestaag meer ziekte, verval en dood mijn leven binnensluipt, klinken The Beatles vitaler en frisser dan ooit. Over 100 jaar misschien zelfs nog wel méér. Het eeuwige overschaduwt langzaam maar zeker het tijdelijke. A Day In The Life is geen momentopname meer, maar vele levens en generaties vervat in één song. De nieuwe Sgt. Pepper is al met al een monument dat in al zijn glorie toch ook een beetje pijn doet..

Deze tekst werd zaterdag 10 juni 2017 voorgelezen in het kader van de rubriek “Moedig Voorwaarts” binnen aflevering 47 van het radioprogramma Kulti Kulti.

Rituelen

Bij het krieken van de dag, sta ik op en benut de energie van de afnemende maan. Ik ontsteek een witte kaars en wierook en spreek de bezwering uit. Op mijn geïmproviseerde altaar staan een tarotkaart van de Toren en een zielig stompje wortel met daarop een foto van de huidige president van de Verenigde Staten. Met alle stelligheid die ik in me heb, bekrachtig ik de intentie dat de voorziene schade voor mens en milieu uitblijft, en dat die blaaskaak en zijn enge vriendjes weinig uit zullen kunnen richten. Als ik me heb ontdaan van de as van de foto en de wortel, ga ik terug naar bed en geef me over aan de slaap.

Ben ik gek geworden? Of ben ik nu juist meer geworden wie ik altijd al was? Hoewel ik een grote eerbied heb voor wetenschap en feiten, kan ik niet onder de kracht van rituelen uit. Rituelen geven me troost en nieuwe hoop. Rituelen maken dat ik weerbaarder ben tegen cynisme en apathie.

Toen ik via de sociale media vernam dat er een wereldwijde spirituele beweging tegen het beleid van Trump was geboren, kon ik niet anders dan me aansluiten. Het betreft hier een zogenaamde binding spell, een gulden middenweg tussen een rooskleurige bevestiging van dat alles precies goed is zoals het is, en een regelrechte voodoovloek.

Van wrok en woede heb ik inmiddels meer dan genoeg. Trump mag dan een uitmuntende haatmagneet zijn, het voelt als een persoonlijk verlies om me nog verder te laten meeslepen. Mijn dagelijkse gewoonte om het wereldnieuws op de voet te volgen, heeft me regelmatig aan de rand van de bitterheid gebracht. Hoe vaak heb ik niet, bij het vernemen van de actualiteiten, inwendig geschreeuwd? Hoe vaak heb ik niet razendsnel dingen bedacht om te zeggen, die in gruwelijkheid en botheid nèt nog een tandje erger zouden zijn dan wat me zojuist vers voor ogen was gekomen?

Dagelijkse gewoontes zijn onopvallend, maar scheppen wel degelijk het dagelijks leven. Rituelen verschillen van dagelijkse gewoontes omdat er meer intentie in aanwezig is. Wat zou er beter zijn om hinderlijke gewoontes te overwinnen dan ze te vervangen met zelfgekozen zinvolle rituelen?

Anno 2017 bestaan er concentratiekampen in Tsjetsjenië waar homo’s gemarteld en vermoord worden. Dat is gruwelijk wereldnieuws, maar het mist eerlijk gezegd de impact die ik zou verwachten. Het merendeel van de mensen die ik hierover vertel, weigert het eenvoudigweg zomaar te geloven. Ik wil er zelf amper aan. Het gif is moeilijk te verteren. Het maakt moedeloos en machteloos: Wir haben es nicht gewusst 2.0.

Wat doen mijn goede wil en bevoorrechte positie er uiteindelijk toe? Ik mag en zal niet toegeven aan twijfel en nihilisme. Nee, ik zal me daarentegen nog meer richten op vruchtbare rituelen. Ik zal, als ik het zie, bevestigend klikken op iedere online petitie die me enigszins raakt. Ik zal, al weet ik dat het niet direct zoden aan de dijk zal zetten, kleine donaties doen. Ik zal, al valt de opkomst tegen, en al hebben tegenstanders er totaal schijt aan, toch samen met anderen protesteren op straat, op het Homomonument of waar dan ook, omdat het toevallig het beste is wat ik voel dat ik kan doen..

Deze tekst werd zaterdag 13 mei 2017 voorgelezen in het kader van de rubriek “Moedig Voorwaarts” binnen aflevering 46 van het radioprogramma Kulti Kulti.

Poes Rosa

Johan belde. Of ik misschien een weekje op zijn poes wilde passen. Ik moest er even over nadenken.  Hoewel ik een zwak heb voor katten, enige ervaring met een studentenhuiskat, en regelmatig de kat van een vriendin voeder als zij even weg is, zag ik enigszins op tegen de verantwoordelijkheid een week lang zo’n beestje over de vloer te hebben. En tja.. had diezelfde Johan nou niet juist een liedje geschreven over de uiterst veeleisende poes Henriëtte?

Hij verzekerde me dat zijn Rosa juist het tegenovergestelde was van het onhandelbare kreng waar hij over had gezongen. Rosa zou een dame zijn, wat schuchter en voorzichtig van aard, maar, naar al gauw zou blijken, een lieverd. Het zou daarnaast ook heilzaam voor me kunnen zijn op haar te passen en haar te verzorgen.

Zo schoorvoetend als ik overstag ging, zo schichtig glipte Rosa vanuit haar reismand rechtstreeks onder mijn zitbank. De eerste dagen verschanste ze zich onder mijn bed, precies op de meest ontoegankelijke plek. Bij het in- en uitgaan van mijn huis, moest ik me er steeds van vergewissen dat ze er nog zat. Liggend voor de bedrand zag ik dan, na enig zoeken, toch vanachter het verlengsnoer, haar grote groene ogen oplichten.

Hoe meer ik haar negeerde, en gewoon mijn dagelijkse dingen deed, hoe sneller ze toch poolshoogte kwam nemen. Beschaamd klopte ik een wolk stof uit haar vacht. Daar zat ze dan eindelijk naast me, als een stofdoek op pootjes, zonder oordeel of verwijt, waar te nemen wat ik allemaal zo uitvoerde. Op een milde manier confronteerde ze me met mezelf. Wat dééd ik immers van dag tot dag? Was ik niet te bedlegerig, te ingekakt? At of dronk ik niet teveel? Onwillekeurig vroeg ik me af wat Rosa hier van moest denken: “Dat doet Johan nou nooit..”

Haar zachtaardige karakter ontroerde me. Geen grauw, snauw of klauw te bekennen. Gaf ik haar regelmatig brokjes, water en aandacht, dan spinde mevrouw al van tevredenheid. Als ik ging slapen, dan nestelde ze zich op een gegeven moment onder de deken, tussen mijn kuiten.  Het was een beetje onwennig weer eens een warm levend wezen in mijn bed te hebben, maar ook troostend.

Bovenal bracht Rosa me door haar serene aanwezigheid terug in het heden. Was ik weer eens in neerslachtige gedachten verzonken, kwam ze naar me toe en gaf ze me kopjes. Staarde ik afwezig voor me uit, sprong zij in mijn blikveld en stopte mijn getob. Door even contact te hebben met dit prachtige nachtelijke roofdier, vervloog de noodzaak naar vragen en antwoorden. Het wonderbaarlijkste en ondoorgrondelijkste mysterie bleef zij natuurlijk zelf.

Dank je, Johan. Dank je, Rosa!

Deze tekst werd zaterdag 8 april 2017 voorgelezen in het kader van de rubriek “Moedig Voorwaarts” binnen aflevering 45 van het radioprogramma Kulti Kulti.

Ton Vorstenbosch

Halverwege de jaren negentig was ik in de greep van de tragikomedie.  Als deeltijdstudent dramaschrijven dompelde ik mezelf onder in scripts en theatervoorstellingen, zoekende naar een stijl en een toon die met me resoneerden. Amper twintig, het ouderlijk huis nog niet verlaten, toog ik, meestal alleen, naar de Nijmeegse Stadsschouwburg om me daar te laven aan de grotere en kleinere werken uit de toneelliteratuur. Een voorstelling die bijzondere indruk op me maakte was de reprise van De miraculeuze come-back van Mea L. Loman (1982), geschreven door Guus Vleugel en Ton Vorstenbosch.

Naast de vinnige dialogen, het navrante opportunisme van de amateurzangeres en protagoniste Mea, en de hilarische onderlinge machinaties, voelde ik me geraakt door het personage van Freek. Sterker nog: ik herkende me helaas maar al te zeer in de depressieve, sensitieve, door schaamte gekwelde zoon van Mea. Hij belichaamde voor mij in al zijn eendimensionaliteit de angst om ten onder te gaan aan mijn eigen passiviteit.

Toen een docent opperde dat ik Ton Vorstenbosch wellicht in het afstudeerjaar zou kunnen vragen om me te begeleiden, schrok ik opnieuw. Ton Vorstenbosch.. Waarom dacht die docent nu juist bij mij aan Ton Vorstenbosch? Hoe zou ik me in hemelsnaam moeten verhouden tot zulk een scherpzinnige en vrije geest? De man zou me ongetwijfeld binnen vijf minuten verbaal fileren. Hij zou vast geen geduld hebben voor mijn wankelmoedige getut. Bovenal zou hij dwars door me heen kijken, en me confronteren met mijn grootste geheim: mijn homoseksualiteit.

Het mocht niet zo zijn. Mijn studie strandde. Ik kreeg het advies om in plaats van het vierde jaar, eerst eens “een tijdje de wei in te gaan”.  Via omwegen kwam ik uiteindelijk toch nog terecht in het door mij zo begeerde Amsterdam, waar ik eindelijk de vrijheid vond waar ik zo naar snakte.

Mijn passie voor toneel is nooit helemaal geluwd, maar mijn dramatische pen verstofte aanzienlijk, tegelijk met mijn antiquarische paperbacks met verzamelde toneelstukken.

Hoewel zijdelings, bleven het werk en de persoon Ton Vorstenbosch me altijd fascineren. Ik kreeg groot respect voor de veelzijdigheid van ’s mans oeuvre: van de satirische komedies met Guus Vleugel tot de historische koningsdrama’s van de latere jaren, en zelfs ook een aantal hoorspelen in verschillende genres.

Gesmuld heb ik van zijn homoseksuele personages, zoals de worstelende jongeman Ron in Carrie of de seksuele revolutie (1981)en de zwaar op de hand zijnde operaliefhebber Gabriël in Moord in de Stopera (1993). Buitengewoon visionair bleek Angst en ellende in het rijk van Kok (1999), waarin de oudere homo Aldo de straat niet meer op durft omdat hij bang is voor Marokkaanse jongens.

Hoewel ik ooit Ton Vorstenbosch de hand heb mogen schudden, bleef ik een bewonderaar op afstand. Was het de afkeer van het idee een held te ontmoeten, en deze dan van zijn voetstuk te zien vallen? Was het mijn oude onzekerheid? Hoe dan ook bleek ik te bescheten, te labbekakkerig.. Woulda shoulda coulda. Als ik nou dit, als ik nou dat.. Als niet als. Te laat.

Nu Ton Vorstenbosch er niet meer is, hoor ik van vrienden en bekenden van hem, dat mijn vrees totaal ongegrond was. Sterker nog: iedereen die hem gekend heeft, verzekert me dat hij juist uitzonderlijk vriendelijk en toegankelijk was.

Nooit echt gekend, maar toch schatplichtig aan zijn inspirerende en sprankelende persoonlijkheid.. Dank je, Ton Vorstenbosch!

Deze tekst werd zaterdag 11 maart 2017 voorgelezen in het kader van de rubriek “Moedig Voorwaarts” binnen aflevering 44 van het radioprogramma Kulti Kulti.

%d bloggers liken dit: